Skip to main content

Archieven: Nieuws

Sterke comorbiditeit tussen depressie en verschillende lichamelijke aandoeningen

Een depressieve stoornis is een risicofactor voor de ontwikkeling en verergering van een groot spectrum aan (lichamelijke) aandoeningen. Dat blijkt uit een systematisch overzicht van bijna 200 onderzoeken gepubliceerd in de Journal of Clinical Psychiatry.

Depressie is een risicofactor voor:

  • neurologische aandoeningen zoals dementie/Alzheimer en Parkinson,
  • hart- en vaatziekten zoals hartaanvallen en hartfalen,
  • metabole en endocriene aandoeningen zoals diabetes, obesitas,
  • en auto-immuunziekten zoals de ziekte van Crohn, psoriasis en multiple sclerose.

Hoewel de onderzoeken sterk verschilden in methodologie, waren deze verbanden consistent. De effecten van depressie op deze aandoeningen kunnen direct (biologisch) of indirect (door bijvoorbeeld een verminderd vermogen om voor zichzelf te zorgen of riskant gedrag) zijn.

De studie benadrukt het belang van vroegtijdige herkenning en behandeling van depressie en de integratie van geestelijke gezondheidszorg en algemene zorg.

Lees het artikel hier:

Impact of Major Depressive Disorder on Comorbidities: A Systematic Literature Review

 

Photo by Julia Zyablova on Unsplash

Inzicht in patiëntvoorkeuren als basis voor de verbetering van zorg

“We onderzochten patiëntvoorkeuren ten aanzien van depressiebehandeling: het type behandeling, de wachttijd, de effectiviteit van de behandeling en de klik met de behandelaar.”

Ruth Waumans promoveerde in november aan de Vrije Universiteit Amsterdam en onderzocht de afgelopen jaren hoe we de zorg voor met name jongvolwassenen met angst en depressie kunnen verbeteren door meer inzicht te krijgen in de factoren die het zoeken en starten van behandeling beïnvloeden.

Waar richtte je promotieonderzoek zich op?

Mijn proefschrift gaat over verschillende factoren die van invloed zijn op het zoeken, aangaan en voltooien van een behandeling door mensen met angst en depressie. Daarbij lag de focus vooral op jongvolwassenen. Het onderzoek was opgedeeld in drie stappen:

  1. Waarom zoeken mensen hulp of juist niet? Er werden 24 volwassenen en 32 jongvolwassenen geïnterviewd.
  2. Wat maakt dat mensen wel of niet een behandeling aangaan? Hier hebben we gekeken naar patiëntvoorkeuren met het idee dat inzicht in de voorkeuren van patiënten helpt te ontrafelen waarom mensen wel of niet een behandeling aangaan.
  3. Een literatuurstudie over de redenen voor drop-out. Met andere woorden: we hebben gekeken in reeds bestaand onderzoek naar factoren die uitval beïnvloeden en mogelijke strategieën om uitval tegen te gaan.

De studie bestond dus uit verschillende delen. Kun je daarover nog meer vertellen?

In het eerste deel hebben we kwalitatieve interviews gedaan. Daar hebben we gekeken naar waarom mensen hulp zoeken. In het tweede deel hebben we een ‘discrete choice experiment’ gedaan. Dit is een kwantitatieve methode die eigenlijk uit de marketingwereld komt, waarmee voorkeuren van mensen onderzocht worden. Je kan hiermee een genuanceerd beeld krijgen van welke onderdelen van een product belangrijker gevonden worden dan andere.

In het geval van ons onderzoek hebben we een vragenlijst met concrete behandelopties voorgelegd aan ca. 230 jongeren en jongvolwassenen (16-24 jaar) met depressieve klachten. Uit hun antwoorden konden we hun voorkeuren berekenen ten aanzien van behandeling. Belangrijk om te weten is dat we medicatie niet meegenomen hebben in deze vragenlijst. Alle deelnemers gaven namelijk in de voorbereidende fase vóór het onderzoek al aan dat ze medicatie niet zo belangrijk vonden. We hebben dus alleen naar voorkeuren met betrekking tot psychotherapeutische behandeling gekeken.

Wat waren de resultaten en conclusies?

We vonden in de totale groep jongeren dat mensen een voorkeur hebben voor individuele psychotherapie boven groepspsychotherapie of een combinatie van individuele therapie en groepstherapie. Ook de klik met de therapeut en de effectiviteit van de behandeling waren belangrijke factoren.

Maar we vonden vooral ook verschillende subgroepen die per groep hun eigen voorkeuren hebben. De eerste groep heeft een voorkeur voor een combinatie van individuele en groepstherapie en lijkt dus open te staan voor meerdere soorten behandeling. Deze deelnemers waren gemiddeld ouder, hoger opgeleid en hadden al ervaring met therapie. De tweede groep was minder bereid om zomaar therapie aan te gaan. Voor hen was het heel belangrijk dat de therapie voldoet aan hun voorkeuren: een korte wachtlijst en individuele therapie. 64% van deze groep gaf aan dat ze, mits de wachttijd kort was, bereid zouden zijn een individuele therapie te doen. Bij een lange wachttijd, of bij een aanbod van groepstherapie, daalde hun bereidheid drastisch. Deze deelnemers waren gemiddeld jonger, lager opgeleid en hadden vaak geen ervaring met behandeltrajecten. De derde groep zat hier een beetje tussenin en had een voorkeur voor individuele psychotherapie.

Hoe zijn de conclusies in de klinische praktijk toe te passen?

Het is misschien bekend nieuws, maar het onderzoek maakt nog eens duidelijk dat de wachttijden korter moeten. Beleidstechnisch is het daarnaast goed om te weten dat individuele therapie in de totale groep de voorkeur heeft. Tegelijkertijd moeten therapeuten zich er ook van bewust zijn dat er verschillende groepen zijn met verschillende voorkeuren. De groep jongeren die minder geneigd is om de therapie aan te gaan kun je makkelijk kwijt raken, bijvoorbeeld als de wachttijd te lang is of als ze geen individuele therapie kunnen aangaan. Het is dus heel belangrijk om aan te sluiten bij wat een patiënt of cliënt belangrijk vindt. Ook als het niet mogelijk is om precies te bieden wat deze mensen willen, is het op zijn minst belangrijk om het gesprek hierover aan te gaan. Alleen zo kan je erachter komen wat hun beweegredenen zijn en of ze misschien ook openstaan voor andere behandelopties.

Er is ook nog ruimte voor verder onderzoek over de achterliggende redenen voor voorkeuren: vinden jongeren groepstherapie misschien spannend? Of zijn er andere redenen waarom een individuele therapie hun voorkeur heeft boven andere vormen? Als je dit weet dan kun je erop inspelen. Als het gaat om het engageren van jongeren in therapie, is er misschien winst te behalen met bijvoorbeeld psycho-educatie en een juiste voorbereiding voor therapie.

Er lijkt ook verbetering mogelijk met betrekking tot de click met de behandelaar. Bijvoorbeeld, als therapeuten navragen hoe patiënten de behandeling vinden en wat hun ervaringen met therapie zijn, dan voelen deze zich meer gehoord en kunnen we wellicht beter aansluiten bij de jongere. Dit zou een positief effect kunnen hebben met name bij de groep die geneigd is om snel af te haken.

Genoeg thema’s om verder onderzoek over te doen dus. Ben je van plan om hiermee verder te gaan?

Er zijn nog geen plannen voor de korte termijn, al zou ik het wel heel interessant vinden om verdere kwalitatieve interviews te voeren met patiënten op mijn huidige werk, De Viersprong. Het is natuurlijk een iets andere doelgroep, namelijk vooral mensen met persoonlijkheidsproblematiek. We zien relatief veel jongvolwassenen en bieden vooral groepstherapie. Gezien de resultaten uit het onderzoek ben ik wel benieuwd hoe zij hier tegenaan kijken.

Korte bio Ruth Waumans

Ruth Waumans begon haar studies aan de University College Utrecht. Na het eerste jaar besloot ze Geneeskunde te studeren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Tijdens haar studie nam ze deel aan het honours programma van de Faculteit Geneeskunde en deed ze onderzoek aan het VU medisch centrum bij de kindergeneeskunde. Nadat ze in 2011 afstudeerde, werkte ze als arts in Utrecht (interne geneeskunde) en Nijmegen (psychiatrie). In 2013 begon ze haar opleiding psychiatrie bij het Radboud UMC. Vanaf 2015 zette ze haar opleiding voort bij GGZ inGeest in Amsterdam. In deze periode begon ze met haar PhD-traject. Ruth voltooide haar opleiding in januari 2022 en werkt nu als psychiater bij De Viersprong in Rotterdam.

Ze promoveerde op 9 november, haar proefschrift draagt de titel ‘Factors impacting on treatment-seeking and treatment engagement in adolescents and adults with anxiety and depressive disorders.’

Recent onderzoek over online CGT behandeling bij dwangstoornis

Cognitieve gedragstherapie (CGT) is de aangewezen behandeling voor personen met dwangstoornissen. Bij CGT leert de patiënt om zijn dwanggedachten en -handelingen te beheersen en te ontdekken dat er niets fout gaat als hij of zij ze niet uitvoert. Onderzoek naar de eigen gedachten over het dwangonderwerp en psycho-educatie (voorlichting over de aandoening en de behandeling) zijn ook onderdeel van de behandeling.

Helaas is CGT niet altijd beschikbaar. Daarom hebben onderzoekers gekeken naar een alternatief: online CGT (iCGT). Volgens het onderzoek van Lundström et al. kan begeleide iCGT een kosteneffectief alternatief zijn voor klinische CGT voor volwassenen met een obsessief-compulsieve stoornis (OCS). Onbegeleide internet-CGT is waarschijnlijk minder doeltreffend, maar kan een optie zijn als begeleiding niet mogelijk is.

Wat is iCGT?

iCGT werkt op dezelfde manier als traditionele CGT, met het doel om de gedachten van de patiënt over het dwangonderwerp te veranderen. Bij begeleide iCGT volgen patiënten een reeks van 10 modules die door de therapeut vrijgegeven worden na het afronden van huiswerk en oefeningen. De therapeut ondersteunt de patiënt via chat of e-mail. Bij onbegeleide iCGT werken patiënten zelfstandig de modules af, zonder ondersteuning van een therapeut.

Link naar het onderzoek

Mentale gezondheid jongeren: onderzoek vooral de kansen

De mentale gezondheid van jongeren verslechtert al jaren. Zij ondervinden steeds vaker angstklachten of depressieve symptomen. Covid-19 was niet de oorzaak, maar versterkte die trend. Onderzoeker Chantie Luijten (Erasmus School of Health Policy & Management) onderzocht aan de hand van vragenlijsten en een herhaaldelijke monitoring 1304 jongeren, tussen 11 en 17 jaar. Met name de herhaling was wat betreft onderzoek uniek; normaliter is er vooral sprake van momentopnames bij dergelijke onderzoeken. Luijten signaleerde meerdere risicofactoren, maar ook beschermende factoren voor de mentale gezondheid.

Allereerst zijn er grote verschillen tussen jongens en meisjes. Meisjes raken volgens haar onderzoek eerder onzeker door social media, omdat zij zichzelf meer beoordelen. Deze zelfwaardering komt niet alleen neer op social media, maar ook op de relatie met met name hun moeder. Ook nauwe vriendschappen bepalen hoe zij zichzelf zien. Voor jongens geldt dit niet tot nauwelijks.

Luijten ziet daarom niet alleen gevaren, maar zeker ook kansen. Ze zou daarom juist graag zien dat de problematiek breder wordt beoordeeld. Als er alleen gekeken wordt naar de gevaren, krijg je al gauw te maken met symptoombestrijding.

Lees meer over het onderzoek van Luijten op de website van het Erasmus.

Depressies kunnen worden opgespoord met Artificial Intelligence

Een depressie opsporen én, in de toekomst, behandelen met een robot. Franziska Burger van TU Delft verdedigde onlangs haar proefschrift Supporting Electronic Mental Health for Depression with Artificial Intelligence. Middels Artificial Intelligence (AI) is het mogelijk om kerngedachtes van depressieve mensen te identificeren. 

Met AI is het mogelijk om heel efficiënt kerngedachtes op te sporen. Burger trainde AI om aan de hand van korte teksten, achterliggende gedachtes te herkennen. Denk bijvoorbeeld aan de combinatie ‘ik ben niet geliefd’ bij de kerngedachte ‘‘mijn vriend mag mij niet omdat hij mij negeert wanneer ik enthousiast naar hem zwaai’. Inzicht in deze niet helpende gedachtes is een eerste stap bij cognitieve therapie – alleen door ze te herkennen kun je ze gaan vervangen voor gezondere gedachten.

Zo kan iemand met een depressie beter en sneller inzicht krijgen in negatieve gedachtes. Burger vertelt: “Onze gedachten zijn bepalend voor hoe we ons voelen en gedragen. Inzicht krijgen in bepaalde gedachtegangen is een belangrijk onderdeel bij de preventie en behandeling van depressie. Ik heb onderzocht hoe AI mensen met symptomen van depressie kan ondersteunen. Hiermee krijgen mensen met depressieve klachten beter en sneller inzicht in de negatieve gedachten.”

Lees haar volledige onderzoek op de website van TU Delft. 

Afwijkende darmflora kan reden zijn van depressies

Kamp je met depressieve klachten? Dat zou zomaar aan de samenstelling van je darmflora kunnen liggen, blijkt uit onderzoek van Amsterdam UMC, de UvA en Erasmus MC. Dat werkt zo: er leven miljarden micro-organismen in en op ons lichaam en zij besturen veel lichaamsfuncties, inclusief dat van de hersenen. Dit heet het microbioom. Deze maakt essentiële voedingsstoffen aan en beschermt je tegen ziekteverwekkers. Als hier een lagere diversiteit aan bacteriën is, of als een bepaalde bacteriesoort ondervertegenwoordigd is, zou dat een depressie kunnen veroorzaken. Een ‘afwijkende’ darmflora -een darmflora die essentiële stoffen mist- zou dus een depressie kunnen veroorzaken. Beïnvloeding ervan is dus zeer relevant voor de behandeling.

Dat betekent logischerwijs dat antidepressiva of cognitieve gedragstherapie zeker niet altijd het antwoord is. Dat kan in zo’n geval ook met probiotica, of simpelweg voeding. Voeding, roken, alcohol of onvoldoende beweging beïnvloeden de darmflora immers eveneens.

Het onderzoek werd uitgevoerd onder 3211 personen en hier werd een hele duidelijke relatie gezien. Lees hier meer over het onderzoek. 

. 

Oproep onderzoek Universiteit Maastricht: Helpt u mee persoonsgerichte zorg te verbeteren?

Kan ik helpen?

Let op: Voor dit onderzoek zijn we op zoek naar personen die COPD én hartfalen hebben.
Het is geen vereiste dat u last heeft (gehad) van angst,- stemmings- of depressieve klachten.

Hoe kunt u helpen?

Door middel van het invullen van twee vragenlijsten. Dit kan via een website of via post.
Meedoen aan dit onderzoek is vrijwillig.

Waarom zou u helpen?

Met uw hulp willen we de Ziektelastmeter voor Chronische Aandoeningen verbeteren. Deze bleek al te helpen voor mensen met COPD, astma, diabetes en hartfalen los van elkaar. Nu willen we graag onderzoeken of de Ziektelastmeter ook helpt voor mensen met een combinatie van deze aandoeningen, dat komt namelijk vaak voor. We beginnen met de combinatie COPD-hartfalen. Mensen met chronische aandoeningen hebben een hogere kans op het ontwikkelen van angst of depressie. Daarom schakelen we het netwerk van NedKAD in.

Bent u enthousiast over het onderzoek en wilt u zich aanmelden?

Dat kan via deze link. Hier vult u uw naam, telefoonnummer en adres in.

Wij nemen dan zo snel mogelijk contact met u op.

Heeft u nog vragen of opmerkingen?

Neem dan gerust contact met ons op. Of neem een kijkje op onze website.

Esmée Vaes en Lotte Keijsers
emanager@maastrichtuniversity.nl
043 388 2836
Universiteit Maastricht

 

Wij hopen dat u ons kan helpen!
Bedankt voor uw tijd en moeite.

Paddo’s werken tegen depressie, maar let wel op de juiste begeleiding

Werken paddo’s tegen een hardnekkige depressie? Ja, blijkt uit een grote internationale studie. Maar: met enkele mitsen en maren.

In paddenstoelen zit het werkzame stofje psilocybine. Psilocybine heeft een hallucinerend effect en er zijn aanwijzingen dat het op hersenniveau biologische veranderingen teweegbrengt. In psychologisch opzicht kan het een innerlijke mentale reis bewerkstelligen die, hoewel emotioneel uitdagend, juist heilzaam kan werken. Patiënten kunnen door de ervaring bijvoorbeeld nieuwe inzichten opdoen over hun eigen situatie en hoe daar mee om te gaan, en het kan behulpzaam zijn om eerdere negatieve levenservaringen te verwerken.   

De studie

Aan het onderzoek deden 233 patiënten mee. Deze patiënten hadden allen minstens tweemaal antidepressiva geprobeerd, zonder (voldoende) effect. In de weken voor het onderzoek, werd de antidepressiva afgebouwd, tot nul. Bovendien werden zij psychologisch voorbereid door een therapeut op wat komen ging. 

Allen kwamen zij ’s morgens naar een kliniek. In het geval van het UMCG: 24 patiënten. Hier kregen zij 5 tabletjes, met daarin 25, 10 of 1mg psilocybine. De deelnemers brachten de dag vervolgens door in een huiselijk ingerichte kamer in het ziekenhuis. Ze lagen op bed, luisterden muziek en werden in de gaten gehouden.

De resultaten

Drie weken later bleek liefst 30% van de deelnemers die 25mg gekregen hadden, zo goed als verlost van de symptomen. Dat hield echter niet bij iedereen stand, bleek na drie maanden. En hoewel de resultaten hoopgevend zijn, zagen onderzoekers ook dat de 25mg-groep een toename had van suïcidale gedachtes of zelfbeschadiging. Zo’n 9% van hen had hier last van; een stuk meer dan de 10mg- en 1mg-groep. De onderzoekers pleiten dan ook voor echt professionele monitoring en intensieve begeleiding. 

Vanaf juni 2023 komt er er een fase III-studie, met medewerking van UCP Groningen. Vragen over het onderzoek kunnen worden gesteld via psilostudie@umcg.nl. 

Lees hier meer over het onderzoek van het UMCG.

Positieve fantasieën en mindfulness: werken deze technieken om een depressie af te remmen?

Kun je depressieve gedachtes en gevoelens afremmen met mindfulness? Of met positief fantaseren? Het UMCG wil dat eens grootschalig onderzoeken. Al lange tijd is er discussie in de psychologie of dit werkt. Echt onderzoek naar de effecten is er echter nog steeds niet.

Iedereen tussen de 18 en 60 jaar kan deelnemen aan het onderzoek, dat zich voornamelijk online afspeelt. De belangrijkste voorwaarde is dat je niet dagelijks antidepressiva gebruikt. Heb je twee of meer depressies gehad de afgelopen tien jaar? Meld je dan zeker aan. Heb je helemaal geen ervaring met depressies? Meld je dan ook aan. 

MINDCOG

De studie van het UMCG heet MINDCOG. Het onderzoekt wat het effect is van therapeutische technieken. Mensen met een gevoeligheid voor depressie hebben vaak last van negatieve gedachtes, ook als er geen depressie is. Als je daar juist positieve fantasieën tegenover zet, remt dat dan de depressie af? Mindfulness richt zich op het accepteren en loslaten van negatieve gedachtes. Ook hier is het idee dat het een depressie kan afremmen. Klopt dit? Met verschillende meetinstrumenten proberen de onderzoekers dit nu in kaart te brengen. 

De deelnemers kunnen dagelijks thuis, met hun mobiele telefoon, hun gedachten, gevoelens en hun vermogen de aandacht te veranderen, rapporteren. 

Meer informatie over MINDCOG is hier te vinden. 

Financiële problemen stevige trigger voor angsten en depressies

Financiële problemen zijn een grote trigger voor angst- en depressieklachten. In totaal hebben zo’n 6-7% van de Nederlanders te maken met angsten en depressies. Onder mensen met financiële problemen is dit echter drie á vier keer zoveel. Liefst 25-27% van de volwassenen die financiële problemen hebben, hebben te maken met angsten en depressies. Herstel gaat bij deze groep ook moeizamer; de financiële problemen staan dat vaak in de weg.

Centerdata, het Fonds Slachtofferhulp en Tilburg University voerden een longitudinaal onderzoek uit. Daarbij werden data gebruikt van vóór corona, namelijk maart 2018 en maart 2019 en gekeken hoe het nu met deze 4770 mensen gaat. De huidige prijsstijgingen zijn de aanleiding van het onderzoek. Wat zijn de effecten op mentale gezondheid van deze volwassenen over een korte periode, namelijk een jaar? 

Er werd rekening gehouden met andere factoren, zoals corona, traumatische ervaringen en een gebrek aan sociale steun. Factoren die vaak bij angsten en depressies van invloed zijn. 

Waarschuwing

De onderzoekers waarschuwen. Mensen en gezinnen die langer financiële problemen krijgen, zullen eerder aan de bel trekken. De toenemende krapte op de geestelijke gezondheidszorg kan hierbij een probleem vormen. Zaak is om deze mensen zo snel en zo goed mogelijk te ondersteunen, zodat zij niet dieper in het moeras zakken. Mensen wennen namelijk niet aan financiële problemen en het gaat gepaard met fors meer angsten en depressies.

Volgens het CBS hadden er 500.000 huishoudens in Nederland in januari 2021 financiële problemen. Verwacht wordt dat daar weldra tussen de 170.000 en 650.000 huishoudens bij zullen komen. 

Het onderzoek is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift De Psycholoog. Ook de Universiteit van Tilburg schreef erover.