Skip to main content

Archieven: Nieuws

Behandeling van OCD: boek

Henny Visser geeft op 29 februari 2024 een lunchwebinar over het onderscheid tussen obsessieve en normale twijfels. Tijdens de webinar zal zij ook spreken over het boek ‘Behandeling van OCD‘ welke zij samen met Maartje Punt heeft geschreven.

“Trots op dit boek”, aldus Henny Visser. “We hopen hiermee behandelaars nóg beter wegwijs te maken in de wereld van OCD: hoe kunnen ze het beter herkennen en diagnosticeren? En hoe behandel je deze ziekte in de weerbarstige praktijk? Heel belangrijk, want mensen met een obsessieve compulsieve stoornis (OCD) lopen gemiddeld 14 jaar rond met ernstige dwangklachten voordat ze een goede behandeling krijgen.”

Uniek aan het boek is het gezichtspunt van de ervaringsdeskundige. Maartje Punt heeft zelf jarenlang last gehad van OCD en schreef mee aan het boek. Ze vertelt: “We willen de dwangstoornis van twee kanten belichten. Door niet alleen een compleet, wetenschappelijk OCD-handboek neer te zetten, maar ook de beleving van een dwangstoornis te verwoorden. Ik hoop met mijn ervaringen te beschrijven hoe het voelt om verlamd te raken door angst, verdwaald te raken in controle en langdurig intensieve therapie te ondergaan.”

Gezichtspunt ervaringsdeskundige heel waardevol

Een heel waardevol perspectief, vindt Visser. “Ik werk bij Marina de Wolf-centrum*, een behandelcentrum dat gespecialiseerd is in het behandelen van mensen met angst- en dwangklachten. Een collega van me werkt al acht jaar bij ons. Zij was één van de eersten die het boek las en was heel enthousiast over de stukken van Maartje. Ze zei na afloop: ‘Jeetje ik dacht dat ik alles wist over OCD, maar ik leer echt iets nieuws’. Verrassend, maar ook mooi om te horen. Binnenwandelen in de wereld van iemand die een bepaalde ziekte heeft, kan ons echt verder brengen. Het helpt ons om een behandeling beter te laten aansluiten op de beleving van de persoon die het heeft. Zo bereiken we samen meer.”

Wetenschappelijke info nuttig voor cliënten

Maar het mes snijdt aan twee kanten: voor cliënten is het op hun beurt weer nuttig om meer te leren over hun stoornis. Over wat OCD inhoudt en wat we er allemaal over weten op basis van onderzoek. “Maartje beschrijft bijvoorbeeld hoe het voor haar is om te lezen hoe het zit met erfelijkheid”, vertelt Visser. Uit tweelingstudies weten we dat de variant waarbij je al op jonge leeftijd klachten krijgt voor 45-65% aan erfelijkheid is toe te schrijven. Maartje had echt zoiets van: verrek, het ligt niet aan mij, het is gewoon ook erfelijk. Hierdoor kan ze zich op een andere manier verhouden tot haar klachten. Voorheen voelde het altijd als haar tekortkoming, maar met deze informatie niet meer

Theorie en praktijk

Het eerste deel van het boek geeft heel veel informatie over OCD. Van neurobiologie en -psychologie bij OCD tot kennis op basis op basis van experimenten. Vervolgens krijgen behandelaars in het volgende deel een nieuw behandelingsperpectief. Stap voor stap wordt de Inference Based Approach (IBA) uit de doeken gedaan. Dit is een nieuwe behandelmethode voor dwangklachten. Een methode die focust op de waarneming.

“Voor mij was vooral die focus op waarneming een eye-opener”, stelt Punt. “Dwang is altijd op zoek naar een klein gaatje om alle twijfel doorheen te laten stromen, maar IBA richt zich juist op het idee ‘het kán wel, maar er is niks wat erop wijst dat het nu gebeurt’.”

 

*Dit nieuwsbericht werd in 2022 geschreven en voor het eerst gepubliceerd. Inmiddels werkt Henny Visser bij het Amsterdam UMC, afdeling Psychiatrie.

Videogames als hulpmiddel in de preventie en behandeling van depressie

Volgens Anouk Tuijnman kunnen sociale videogames een ideaal middel zijn voor de preventie en behandeling van depressie, vooral bij jongeren die een voorkeur hebben voor gaming. In november 2023 heeft zij haar proefschrift over dit onderwerp verdedigd.

Over welk onderwerp ging jouw onderzoek?

Mijn onderzoek richtte zich op het ontwikkelen en testen van sociale videogames voor depressie bij jongeren. De motivatie achter dit onderzoek was het besef dat bestaande behandelmethoden niet voor iedereen effectief zijn, en dat veel jongeren moeite hebben om hulp te zoeken. Mijn collega’s van GEMH Lab en ik wilden onderzoeken of videogames een geschikt medium zijn om depressiepreventie te bevorderen of de behandeling van depressie te ondersteunen.

Waarom richtte je je specifiek op jongeren en videogames?

Mijn keuze voor jongeren als doelgroep en video games als medium was gebaseerd op het feit dat de meeste jongeren bekend zijn met gaming en dat games uitstekende leermiddelen zijn. Games stellen spelers in staat om op hun eigen niveau te oefenen, bieden voortdurende feedback en zijn aantrekkelijk als vorm van entertainment. Bovendien hebben videogames minder stigma dan traditionele behandelmethoden, waardoor het voor jongeren mogelijk is om op een meer ontspannen manier met hun problemen om te gaan.

Heb je de videogames zelf ontwikkeld?

Nee, ik ben geen game designer, maar ik heb samengewerkt met game designers om twee specifieke games te ontwikkelen. Mijn betrokkenheid bij het game design was belangrijk om te begrijpen hoe game designers, onderzoekers, psychologen en jongeren efficiënt kunnen samenwerken om effectieve producten te creëren. Het was essentieel om elkaars taal te begrijpen, de wetenschappelijke eisen te waarborgen en de kracht van game designers te benutten om motiverende en leuke games voor jongeren te ontwikkelen.

Wat waren de resultaten van je onderzoek?

In het eerste traject, gericht op het meten van de gevoeligheid voor afwijzing, hebben we een game genaamd ScrollQuest ontwikkeld. We zagen dat de game succesvol was in het oproepen van afwijzing en het veroorzaken van reacties bij deelnemers. Dit suggereert dat games effectief kunnen zijn om afwijzingsgevoeligheid te meten. De vervolgstap zou zijn om dan daadwerkelijk ook gedragspatronen met behulp van games te kunnen identificeren.

In het tweede traject ontwikkelden we Moving Stories, een game gericht op het bespreekbaar maken van depressie in de klas. Hoewel we geen significante stijging in vaardigheden hebben waargenomen bij de deelnemers, daalde het stigma rondom depressie wel. De game werd enthousiast ontvangen door zowel leerlingen als docenten.

Wat zijn je aanbevelingen voor de praktijk?

Als je een client hebt die graag gamet, zet dan een game in om hun gedrag te observeren. We leunen als behandelaren vaak op rollenspellen of op hypothetische situaties.  Maar als je naast iemand zit die gamet zie je in real time zijn of haar reacties op bepaalde situaties. Voor jongeren maken games deel uit van hun wereld. Het is niet de offline en de online wereld. Het is één grote mengelmoes. Je kunt een game inzetten in een therapeutische context om gedrag te observeren, maar ook om jongeren te coachen. Hoe ga je nou met moeilijke situaties om?

Ik hoop dat mijn proefschrift en de resultaten andere onderzoekers inspireren om de inzet van sociale games voor depressiepreventie verder te bestuderen. Er lijkt een grote behoefte te zijn aan benaderingen zoals deze op scholen, waar docenten vaak worstelen met het bespreekbaar maken van mentale gezondheid. Videogames kunnen een laagdrempelige manier bieden om dit moeilijke onderwerp aan te pakken. Hoewel mijn project momenteel stilligt vanwege gebrek aan financiering, hoop ik dat de erkenning van de potentie van games als onderdeel van preventie of behandeling voor mentale gezondheid zal groeien.

Korte biografie

Anouk Tuijnman is opgeleid als orthopedagoog, gespecialiseerd in gezin, gedrag en positieve ontwikkeling. Na enkele jaren in de jeugdzorg maakte ze de overstap naar het onderzoek. Op 28 november 2023 promoveerde ze aan het Behavioural Science Institute van de Radboud Universiteit met haar onderzoek naar de inzet van sociale videogames voor depressiepreventie bij jongeren. Anouk Tuijnman werkt op dit moment bij het Trimbos-instituut als wetenschappelijk onderzoeker op de thema’s gamen, gokken en digitale balans.

Nieuw Onderzoek naar Effectieve Behandeling van Angst en Depressie bij Kinderen

Angst en depressie bij kinderen vormen een complex probleem, en voor meer dan de helft van de getroffen kinderen is de huidige behandeling niet effectief. De Leidse ontwikkelingspsychologen Anke Klein en Anika Bexkens hebben een ZonMW beurs van €600.000 ontvangen voor hun onderzoek naar een innovatief behandelprogramma. Dit programma richt zich niet alleen op de kinderen zelf, maar ook op de ouders, met als doel het verminderen van angst en depressie bij deze kwetsbare groep.

Volgens de onderzoekers ervaren kinderen die last hebben van zowel angst als depressie vaak nog steeds beperkingen na behandeling. Dit benadrukt de noodzaak om behandelingen te verbeteren om escalatie, zoals schoolweigering of suïcidaliteit, te voorkomen. Samen met een internationaal team en Leidse collega’s gaan Klein en Bexkens de effectiviteit van een innovatief kind-ouderprogramma onderzoeken.

Twee interventieprogramma’s onder de loep

Het behandelprogramma omvat twee interventieprogramma’s: de kindgerichte cognitieve gedragstherapie ‘Denken Doen is Durven’ (DDD) en het ouderprogramma ‘Supportive Parents for Anxious Children Emotions’ (SPACE). Beide programma’s worden gelijktijdig gedurende twaalf weken aangeboden. Het doel is om te onderzoeken hoe deze programma’s op elkaar inwerken om angst en depressie bij kinderen te verminderen.

Volgens de onderzoekers is een van de belangrijkste onderliggende factoren voor angst en depressie bij kinderen de manier waarop zij emoties ervaren en ermee omgaan. Kinderen met verhoogde emotionele reactiviteit en de neiging om negatieve emoties te vermijden, lopen een groter risico op het ontwikkelen van depressie. Verschillende risicofactoren, zoals een geremd temperament, extreme verlegenheid, lage zelfwaardering en ongezonde coping-stijlen, vergroten het kwetsbaarheidsniveau.

Ouderfactoren in de behandeling

Opvallend is dat kinderen van ouders met psychische stoornissen ook vatbaarder zijn voor emotionele problemen, waaronder angst en depressie. Hierdoor benadrukken de onderzoekers het belang van het betrekken van ouders in het behandelproces.

De huidige behandelingen voor angst en depressie bij kinderen zijn vaak stoornis-specifiek en blijken niet altijd effectief te zijn. In tegenstelling hiermee benadrukt het nieuwe onderzoek de ontwikkeling van een transdiagnostisch behandelprogramma dat zich richt op gemeenschappelijke onderliggende mechanismen van angst en depressie. Dit omvat zowel kind- als ouderfactoren, met als doel de effectiviteit van de behandeling te vergroten en terugval te verminderen.

De Leidse ontwikkelingspsychologen hopen dat hun onderzoek zal leiden tot een substantiële verbetering van behandelresultaten, wat van cruciaal belang is voor de welzijn van deze kwetsbare groep kinderen en hun gezinnen. Mocht het nieuwe behandelprogramma succesvol blijken, kan het een belangrijke bijdrage leveren aan de aanpak van angst en depressie bij kinderen op internationaal niveau.

Luisteren naar jongeren met suïcidale gedachten voor betere hulp

Een recente studie heeft inzicht gegeven in de behoeften van jongeren met suïcidale gedachten, wat van belang is voor zowel professionals als de jongeren zelf. Het onderzoek richtte zich op het begrijpen van de ervaringen van deze jongeren en biedt waardevolle inzichten voor het verbeteren van preventie- en interventiestrategieën.

Het overzicht van 29 studies onthult een groeiende erkenning van het belang om de stem van jongeren met suïcidale ervaringen serieus te nemen. Deze bevindingen wijzen op een positieve ontwikkeling in onderzoek, waarbij het perspectief van de jongeren centraal staat.

Een opmerkelijke conclusie van het onderzoek is de cruciale rol van sociale steun en verbinding in de zelfwaargenomen behoeften van suïcidale jongeren. Het belang van steun van peers, ouders, zorgprofessionals en andere contacten wordt benadrukt, waarbij onderzoek aantoont dat grotere sociale steun gekoppeld is aan een lager suïciderisico.

Een ander belangrijk aspect dat naar voren komt, is de behoefte aan effectieve zelfhulpstrategieën en persoonlijke groei. Jongeren benadrukken de noodzaak van coping- en afleidingstechnieken tijdens momenten van hoge suïcidale spanning. Deze bevinding benadrukt de noodzaak om jongeren en hun peers uit te rusten met de juiste tools om autonomie te behouden.

Het onderzoek belicht tevens de uitdagingen bij het opbouwen van een samenwerkende therapeutische relatie tussen jongeren en zorgverleners tijdens periodes van hoge suïcidale spanning. Het belang van gedeelde besluitvorming om deze relaties te versterken, evenals het vinden van een balans tussen patiëntveiligheid en autonomie, wordt benadrukt.

Opvallend is de beperkte focus op de behoeften van jongeren binnen onderwijsinstellingen, ondanks het belang van deze omgeving voor hun welzijn. Het onderzoek wijst op de noodzaak van verdere studie om deze behoeften beter te begrijpen en aan te pakken.

Tot slot roept het onderzoek op tot bredere maatschappelijke bewustwording en vermindering van stigma rondom zelfbeschadiging. Het benadrukt de kracht van publiekscampagnes om taboes en stigma aan te pakken.

Het onderzoek is gepubliceerd in European Child and Adolescent Psychiatry.

Depressie verhoogt risico op dementie op vroege leeftijd

Wetenschappers van Universiteit Maastricht en de University of Exeter in het Verenigd Koninkrijk hebben 15 risicofactoren geïdentificeerd die een verband hebben met een grotere kans op dementie op jonge leeftijd. Een opvallend sterk verband werd gevonden tussen depressie en sociale isolatie en een verhoogd risico op de ontwikkeling van dementie vóór de leeftijd van 65 jaar.

Over de studie

Het onderzoek was een prospectieve cohortstudie, gebaseerd op gegevens van de UK Biobank, en richtte zich op het identificeren van modificieerbare risicofactoren voor vroeg-onset dementie. Deelnemers jonger dan 65 jaar zonder dementie-diagnose bij aanvang werden geïncludeerd, met een follow-up na 10 jaar.

De onderzoekers analyseerden gegevens van meer dan 350.000 personen. Uit de analyse bleken 15 significante risicofactoren geassocieerd met een verhoogd risico op vroege ontwikkeling van dementie. Onder deze factoren vielen lager formeel onderwijs, lagere sociaaleconomische status, het dragen van 2 apolipoproteïne ε4-allelen, geen alcoholgebruik, alcoholgebruiksstoornis, sociale isolatie, vitamine D-tekort, hoge C-reactieve proteïne niveaus, lagere handknijpkracht, gehoorstoornis, orthostatische hypotensie, beroerte, diabetes, hartziekte en depressie.

Deze bevindingen benadrukken het belang van modificeerbare risicofactoren bij VOD en pleiten voor hun integratie in toekomstige dementiepreventie-initiatieven, waardoor nieuwe therapeutische mogelijkheden ontstaan voor de behandeling van vroeg-onset dementie. Naast lichamelijke factoren maakt het onderzoek duidelijk dat ook mentale gezondheid een rol speelt bij de preventie van dementie.

Het onderzoek is gepubliceerd in JAMA Neurology.

Vooruitgang in de behandeling van depressie: EEG-biomarker wijst op gepersonaliseerde aanpak

Een wetenschappelijk collectief heeft een potentieel instrument geïntroduceerd dat de benadering van therapieën voor individuen met een ernstige depressieve stoornis (MDD) zou kunnen herdefiniëren. Het betreffende instrument is een elektro-encefalografie (EEG) biomarker, gericht op de individuele alpha frequentie (iAF), die veelbelovend lijkt voor het afstemmen van behandelingen op basis van de unieke hersenactiviteit van een persoon.

Depressie, bekend om zijn uiteenlopende symptomen en neurofysiologische complexiteit, levert vaak uitdagingen op bij het vinden van effectieve behandelingen vanwege de heterogeniteit ervan. Dit recente onderzoek, gedetailleerd in een gerespecteerd wetenschappelijk tijdschrift, onderzoekt het potentieel van de iAF EEG-biomarker om patiënten te categoriseren voor diverse interventies, waaronder repetitieve transcraniële magnetische stimulatie (rTMS) en elektroconvulsietherapie (ECT).

Het onderzoek bevestigt een eerder geïdentificeerde associatie tussen een lage iAF en een positieve reactie op het antidepressivum sertraline, wat wijst op een meer gerichte voorschrijving van medicatie. Opvallend is dat het onderzoek suggereert dat patiënten met specifieke iAF-profielen mogelijk beter reageren op verschillende behandelingen met hersenstimulatie.

In wezen fungeert de EEG-biomarker als een leidraad voor zorgprofessionals, die hen helpt bij het identificeren van de meest geschikte behandeloptie op basis van de kenmerkende hersenactiviteit van een individu. Deze verschuiving van een generieke behandelingsaanpak naar een meer gepersonaliseerde strategie kan aanzienlijke invloed hebben op de effectiviteit van antidepressieve therapieën.

Stel je een scenario voor waarin artsen, in plaats van op basis van trial-and-error, deze biomarker gebruiken om te voorspellen welke behandeling waarschijnlijk effectief zal zijn voor een specifiek individu. De potentiële implicaties zijn aanzienlijk, niet alleen wat betreft verbeterde resultaten, maar ook in het stroomlijnen van het vaak frustrerende proces van het vinden van de juiste behandeling.

De conclusie van de studie: “Deze klinisch bruikbare EEG-biomarker biedt een manier om patiëntensubgroepen met succes toe te wijzen aan verschillende behandelingen, waardoor de precisie van antidepressieve therapieën wordt verbeterd. Het is klaar om te worden geïmplementeerd in de klinische praktijk.”

Hoewel de bevindingen veelbelovend zijn, is het belangrijk om te erkennen dat verder onderzoek en validatie nodig zijn. Desalniettemin biedt het vooruitzicht van een toekomst waarin depressiebehandelingen worden afgestemd op de individuele hersenactiviteit een optimistische kijk op een effectievere en efficiëntere aanpak van deze veelvoorkomende uitdaging op het gebied van geestelijke gezondheid.

De studie is gepubliceerd in Nature. Lees het artikel hier.

OCDnet webinar: OCD in het systeem

Op 14 december 2023 gaf Luuk Stapersma een webinar over OCD in het systeem. Luuk Stapersma is GZ-psycholoog in het landelijk team voor dwang, angst en tics van Levvel en coördinator van het Expertisecentrum DAT (dwang, angst, tics, selectief mutisme, misofonie). Hij is senior onderzoeker bij Levvel/Amsterdam UMC.

Obsessieve-compulsieve stoornis (OCD) is een complexe aandoening die niet alleen het individu treft, maar ook een aanzienlijke invloed heeft op de dynamiek binnen gezinnen. De webinar bood een verkenning van de dwanggedachten, intrusies en dwanghandelingen die individuen met OCD ervaren en wierp een scherp licht op de gezinsaanpassingen die naasten doen om hiermee om te gaan.

Gezinsaanpassingen: Een Delicate Dans

Het centrale thema van de webinar was de complexe dans van gezinsaanpassingen. Het idee dat voor elke dwangsymptoom een naaste een aanpassing kan doen, werd belicht. Deze aanpassingen variëren van participatie in dwanghandelingen tot het wijzigen van dagelijkse routines en gedrag om de angst te verminderen. Luuk Stapersma onderstreepte dat de mogelijkheden voor aanpassingen eindeloos zijn, wat de noodzaak van een systemische benadering benadrukt.

Systemische kijk op dwang

De webinar moedigde de verschuiving aan van een smalle focus op de persoon met OCD naar een bredere kijk op het (gezins)systeem. De impact van OCD strekt zich uit tot het gezin en naasten. De toenemende spanning in huis als gevolg van dwangklachten werd onderstreept, met de erkenning dat begrip en onbegrip beide veel voorkomen in de dynamiek rondom OCD.

Frequentie van gezinsaanpassingen

Statistieken geven een gedetailleerd beeld van hoe vaak gezinsaanpassingen voorkomen, zowel bij kinderen/jongeren als bij volwassenen:

  • Bij kinderen en jongeren is geven meer dan 90% van naasten aan dat ze minstens wekelijks aanpassingen doen, 35-75% zelfs dagelijks.
  • Bij volwassenen geven 50-90% van naasten aan dat ze minstens wekelijks aanpassingen doen, 15-60% minstens dagelijks.

Deze aanpassingen variëren van het bieden van geruststelling tot het faciliteren van vermijding en deelnemen aan rituelen. De frequentie van deze aanpassingen toont aan dat de impact van OCD zich uitstrekt tot verschillende aspecten van het dagelijks leven.

Waarom naasten dit doen

Een diepere duik in de redenen achter (gezins)aanpassingen onthult dat naasten dit vaak doen om angst te verminderen, omdat ze het idee hebben dat angst schadelijk is, en om korte-termijn functioneren te vergemakkelijken. Ouderlijke angst en de mogelijkheid van agressief gedrag als gevolg van dwang werden ook benadrukt als belangrijke factoren die bijdragen aan deze aanpassingen.

Waarom is de systemische kijk belangrijk voor behandelaren

Het webinar bood overtuigende argumenten voor de noodzaak als behandelaren om gezinsaanpassingen aan te pakken. Een sterke correlatie tussen de mate van aanpassingen en de ernst van klachten werd gepresenteerd. Bovendien werd gewezen op het feit dat behandelingssucces wordt beïnvloed door de hoeveelheid aanpassingen binnen het gezinssysteem.

Mechanismen achter gezinsaanpassingen

De mechanismen die ten grondslag liggen aan gezinsaanpassingen werden uitgebreid besproken. Vermijding en de impact op emotieregulatie werden aangemerkt als cruciale factoren. Overmatige aanpassingen werden geïdentificeerd als obstakels voor effectieve behandeling, omdat ze vermijding in de hand werken en het vermogen van het individu om hun eigen emoties te reguleren verminderen.

Praktische stappen voor betrekken van naasten

Het webinar voorzag deelnemers van concrete stappen om naasten actief te betrekken bij de behandeling. Van psycho-educatie over OCD tot gerichte interventies en specifieke modules voor gezinsaanpassingen. Het belang van een flexibel steunnetwerk werd benadrukt, waarbij betrokkenheid op verschillende niveaus als waardevol werd beschouwd. De volgende stappen werden besproken:

  1. Betrek familieleden bij de behandeling, op zijn minst door psycho-educatie over OCD. Leg aan naasten uit hoe dwang werkt, wat de situaties zijn waarin dwang getriggerd wordt en wat voor gedachtesporen mensen met dwang kunnen hebben. Dit kan bij een adviesgesprek over de behandeling of in een aparte sessie met de naaste.
  2. Geef gerichte psycho-educatie over gezinsaanpassingen bij dwang. Ga gericht in op de vraag wat dwang in een gezin kan betekenen en wat de mechanismen zijn die hierbij spelen. Ga in op hoe gezinsleden en naasten omgaan met de spanning die ontstaat door OCD. Bespreek vermijding en emotie-regulatie door aanpassingen en hoe dit een invloed kan hebben op de behandeling van dwang. Breng heel concreet (gezins)aanpassingen in kaart door een schema van het dagelijks leven te maken: wat voor dwanghandelingen zijn er, welke aanpassingen worden gedaan en door wie?
  3. Doe een korte interventie met gezinsleden en naasten. Kijk daarbij naar de functie van het gedrag van naasten en maak een plan voor het veranderen van dit gedrag. Doe dit heel gestructureerd.
  4. ‘Behandel’ naasten. Bij deze stap ligt de nadruk vooral op het handelen van naasten. In gesprekken met naasten ga je in op hoe zij aanpassingen gestructureerd terug kunnen brengen. Met naasten maak je een plan welke aanpassingen ze concreet gaan veranderen. Belangrijk hierbij is het steunnetwerk, zodat naasten en het gezin deze veranderingen niet alleen moeten dragen.

Conclusie

In conclusie bood het webinar “OCD in het Systeem” een diepgaande en inzichtelijke verkenning van de impact van OCD op gezinsdynamiek. Gezinsaanpassingen werden belicht als een cruciaal aspect van de aandoening, met een sterke nadruk op het belang van een systemische benadering. De geboden praktische stappen voor het betrekken van naasten gaven waardevolle inzichten voor zowel professionals als gezinnen die te maken hebben met OCD. De weg naar behandeling en herstel lijkt niet alleen te liggen in individuele interventies, maar ook in de ondersteuning en betrokkenheid van het bredere (gezins)systeem.

Onderzoek naar de rol van testosteron bij de behandeling van sociale angststoornis: Interview met Moniek Hutschemaekers

Hoe kwam je op dit onderwerp voor je onderzoek?

Vooronderzoek had al laten zien dat testosteron toediening kan leiden tot minder sociale vermijding en meer sociale toenadering. Ook bij mensen met een sociale angststoornis. Ik werd door mijn promotor en co-promotor gevraagd of ik deze pre-klinische bevindingen wilde vertalen naar de klinische praktijk en te onderzoeken of en hoe testosteron exposure-therapie beïnvloedt. Dit leek me een heel belangrijk onderwerp omdat ik op mijn werkplek zag dat lang niet iedereen profiteert van exposure therapie voor sociale angst.

Hoe was het voor je om met dit thema aan de slag te gaan?

Het was een heel nieuw thema voor mij. Al snel kwam ik tot de conclusie dat testosteron een rol speelt in sociale interacties. Mensen met lagere testosteronwaarden vertonen meer onderdanig- en vermijdingsgedrag. Dat is relevant voor exposure therapie, waar je vooral wil zorgen dat de mensen de blootstelling aan sociale situaties aangaan in plaats van vermijden.

Een studie uitgevoerd door collega’s van de Radboud Universiteit en de Universiteit van Leiden toonde lagere testosteronwaardes bij vrouwen met sociale angststoornis aan. Die studie vormde mede de basis voor mijn promotieonderzoek. (Giltay et al. 2012)

Waar ging jouw onderzoek precies over?

We onderzochten in eerste instantie of lichaamseigen testosteron voorspellend was voor het effect van exposure-therapie. Het niveau van testosteron in je lichaam is afhankelijk van de context. Als je een sociale situatie aangaat, reageert het testosteron in je lijf om je voor te bereiden op de situatie: er wordt meer testosteron aangemaakt. Toen we testosteronwaardes en sociale angstklachten van mannen en vrouwen voorafgaand aan een exposure-sessie gingen meten, zagen we dat hoe meer de testosteronwaardes in het lichaam reageerden, hoe sterker de afname van sociale angstklachten na de sessie. Dat was al een mooie bevinding: we hebben voor het eerst in een klinische setting kunnen aantonen dat er een relatie bestaat tussen testosteron en het effect van exposure therapie.

We hebben dit effect grootschaliger onderzocht met een randomized controlled trial. We keken naar wat er gebeurt als vrouwen met een sociale angststoornis testosteron toegediend krijgen voor een exposure sessie. Als exposure opdracht moesten ze weer een presentatie houden voor de therapeut en een klein publiek. Testosteron had invloed op het proces binnen de exposure sessie: het angstpatroon dat je wil bewerkstellen met exposure therapie werd beïnvloed: Bij de vrouwen die testosteron hadden gekregen was er in eerste instantie een grotere toename van de angst, maar daarna ook een grotere afname. Dit effect generaliseerde niet naar follow-up of naar een afname van sociale angstklachten in het algemeen. Samenvattend kun je zeggen: we vonden dat testosteron een invloed heeft op een belangrijk mechanisme van de exposure sessie, maar eenmalige toediening was niet genoeg om effectiviteit van exposure in het algemeen te verbeteren.

Wel zagen we dat degenen die het sterkste vermijdingsgedrag toonden op een taak voorafgaand aan exposure therapie, ook de grootste afname van angst hadden wanneer ze testosteron kregen. Ook dit effect blijft beperkt tot de individuele sessies en laat zich niet generaliseren naar sociale angstklachten in het algemeen.

Welke conclusies kun je trekken voor de klinische praktijk?

Hoewel we testosteron nog niet direct in de praktijk kunnen gebruiken, hebben we aanwijzingen dat het proces van exposure-therapie er wel door wordt beïnvloed. Meer onderzoek is nodig om het effect op langere termijn te begrijpen en mogelijk de behandeling van sociale angstklachten met testosteron te verbeteren.

Wat heeft het onderzoek jou geleerd voor jouw eigen klinische praktijk?

Het benadrukt het belang van scherp zijn op de effectieve elementen van exposure-therapie. Waar ik vooral achter gekomen ben is: doe exposure als er sprake is van sociale angst. Zorg ervoor dat je aandacht hebt voor het doorbreken van subtiel vermijdingsgedrag. Het toekomstig gebruik van testosteron in de behandeling zou een mogelijkheid kunnen zijn. Het zou mooi zijn om bij vervolgonderzoek meerdere therapie sessies te enhancen met testosteron. Mogelijk heeft testosteron toediening dus het meeste effect bij patiënten met een sociale angststoornis die ook veel vermijden.

 

Moniek Hutschemaekers volgt de opleiding tot klinisch psycholoog bij Pro Persona Overwaal. Op 10 november verdedigde ze haar proefschrift getiteld: SpeakUp! The effects of testosterone on exposure therapy for social anxiety disorder aan de Radboud Universiteit.

 

Tweede Lunchwebinarreeks OCDnet – Inschrijving binnenkort geopend

In het kader van het vergroten van bewustzijn en begrip over Obsessieve-Compulsieve Stoornis (OCD) en het belang van vroegtijdige herkenning en interventie, kondigt de werkgroep OCDnet hun tweede lunchwebinarreeks aan. De data voor deze reeks zijn vastgesteld, en binnenkort zullen de inschrijvingen geopend worden. Deze educatieve webinars zijn gericht op professionals in de geestelijke gezondheidszorg en eerstelijnszorg en zullen bijdragen aan hun deskundigheidsbevordering.

Mensen met OCD ervaren vaak ernstige verstoringen in hun dagelijks leven, maar het gebrek aan kennis over de stoornis leidt tot onderdiagnose en inadequaat behandeling. Deze webinarserie heeft tot doel dit probleem aan te pakken en professionals te voorzien van diepgaande kennis over de herkenning en behandeling van verschillende aspecten van OCD.

De reeks omvat drie webinars, elk gericht op een specifiek onderwerp:

1. OCD in het systeem (14 december 2023, 12-13u): Dit webinar richt zich op het begrijpen van de impact van OCD op zowel het individu als zijn of haar naaste omgeving. Ouders, broers, zussen en partners worstelen vaak met de vraag: “Hoe moeten we omgaan met de dwang van onze geliefde?” Het begint met het herkennen van manieren waarop OCD het systeem beïnvloedt en gaat verder met het gestructureerd aanpakken van deze invloeden. Het webinar zal inzichten bieden in aanpassingen en behandelingen, waarbij de rol van naasten van cruciaal belang is.

2. Obsessieve twijfels onderscheiden van normale (29 februari 2024, 12-13u): Een uitdagend aspect van OCD is het onderscheiden van obsessieve gedachten van normale gedachten. Dit webinar behandelt dit onderscheid, vooral wanneer obsessieve zorgen betrekking hebben op fundamentele vragen over zelfkennis. De Inference Based Approach (IBA), een bewezen effectieve cognitieve therapie voor OCD, zal worden besproken, samen met interventies die helpen bij het herkennen van de rol van twijfel en verbeelding in dwangklachten. Er zal ook aandacht worden besteed aan onderzoek naar de effectiviteit en het neurobiologische werkingsmechanisme van IBA.

3. Not Just Right Experience in verband met OCS (16 mei 2024, 12-13u): Dit webinar belicht fenomenen zoals ‘Not Just Right Experiences’ (NJRE) en het gevoel van ‘incompleetheid’, die kenmerkend zijn voor OCD. Het zal de vraag behandelen of NJRE en gerelateerde concepten verklarend zijn voor OCD en hoe ze zich verhouden tot meer angstgerelateerde OCD. Dit zal leiden tot een discussie over mogelijke aanpassingen van reguliere behandelingen, die doorgaans gericht zijn op het verminderen van irreële angstgedachten.

Accreditatie is aangevraagd bij de VGCt, FGzPt en de NVvP.

De inschrijving voor deze webinars zal binnenkort worden geopend, en geïnteresseerden worden aangemoedigd om de aankondigingen en updates in de gaten te houden op de NedKAD-website en sociale media.

De subjectieve ervaring van depressie

Depressie is een complexe en veelzijdige mentale aandoening die miljoenen mensen wereldwijd treft. Hoewel de medische kennis over depressie aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt, blijven de subjectieve ervaringen van mensen met depressie van cruciaal belang om de volledige omvang van de impact op individuen te begrijpen. Een nieuw onderzoek, “De subjectieve ervaring van depressie,” brengt de stemmen van individuen samen die deze aandoening hebben ervaren. Het onderzoek biedt waardevolle inzichten in de subjectieve aard van herstel, diverse behandelingservaringen en de culturele en geslachtspecifieke aspecten van depressie. Door deze ervaringen te belichten, streeft het onderzoek ernaar onze kennis over depressie te verrijken en aan te moedigen tot meer empathische en gepersonaliseerde benaderingen voor de behandeling ervan.

De subjectieve aard van herstel

Een van de belangrijkste conclusies uit het onderzoek is de inherent subjectieve aard van herstel van depressie. Mensen die herstellen van depressie beschrijven hun reis op diverse manieren. Voor sommigen is herstel gericht op terugkeer naar een staat van persoonlijke stabiliteit en functioneren, terwijl anderen het als een herontdekking van welzijn en een vernieuwde waardering voor het leven ervaren. Het onderzoek toont aan hoe de betekenis van “herstel” sterk kan variëren, wat een ambivalente houding weerspiegelt ten opzichte van verschillende aspecten van het proces. Sommigen beschouwen het als een diepgaande existentiële rijping, terwijl anderen zich richten op het terugkrijgen van een gevoel van eigen regie en het erkennen van hun kwetsbaarheid.

Herstel als een reis

Het onderzoek benadrukt dat herstel vaak wordt gezien als een reis. Individuen ondergaan een proces dat zowel versterkend als uitdagend kan zijn. Terwijl sommigen persoonlijke groei en zelfontdekking belangrijk vinden, willen anderen wellicht eenvoudigweg de ziekte uit hun geheugen wissen en terugkeren naar hun vroegere zelf. Wat duidelijk wordt, is dat herstel geen lineair proces is en de trajecten ervan cyclisch kunnen zijn, eerder dan een duidelijk begin, midden en einde te hebben. Het onderzoek herinnert ons eraan dat herstel geen one-size-fits-all is en het is belangrijk om de unieke paden van individuen te respecteren.

De ervaring van behandelingen

Het onderzoek duikt ook in de ervaringen van individuen die farmacologische behandelingen en psychotherapie ontvangen. Het onthult dat mensen met depressie uiteenlopende houdingen hebben ten opzichte van antidepressiva. Terwijl velen hun nut erkennen bij het verbeteren van symptomen, uiten sommigen zorgen over waargenomen afhankelijkheid en bijwerkingen. De hoeveelheid informatie verstrekt door zorgverleners heeft aanzienlijke invloed op hoe individuen deze behandelingen waarnemen en erop reageren.

De ervaring van psychotherapie wordt ook onderzocht, waarbij veel individuen troost vinden in de veilige ruimte die therapie biedt. Ze voelen zich gehoord, gesteund en gemachtigd door het proces, wat leidt tot een groter zelfbewustzijn en verbeterde zelfeffectiviteit. Het is echter belangrijk op te merken dat niet iedereen psychotherapie positief ervaart. Sommigen vinden het uitdagend voor hun zelfidentiteit en twijfelen aan de effectiviteit ervan.

Sociale en fysieke gezondheidsinterventies

Het onderzoek benadrukt de rol van sociale en fysieke gezondheidsinterventies, zoals arbeidstherapie en lichaamsbeweging, in het empoweren van mensen met depressie. Deze interventies bieden mogelijkheden voor individuen om meer controle te voelen, hun zelfvertrouwen te vergroten en een gevoel van prestatie te ervaren. Peer-ondersteuning, in het bijzonder, wordt benadrukt als een manier om gevoelens van isolatie te verminderen en zelfacceptatie te verbeteren.

Diversiteit

Het onderzoek toont aan dat de ervaring van depressie niet uniform is. Het wordt beïnvloed door culturele context, geslacht en individuele verschillen. Verschillende culturen en etnische groepen hebben mogelijk uiteenlopende opvattingen over depressie, en individuen van verschillende geslachten kunnen het anders ervaren. Het erkennen van deze verschillen is cruciaal om meer gepersonaliseerde en effectieve behandeling te bieden.

Conclusie

Het onderzoek biedt waardevolle inzichten in de diverse en subjectieve aard van depressie. Door te luisteren naar de stemmen van mensen met depressie verrijkt het onderzoek ons begrip van deze complexe aandoening. Het herinnert ons eraan dat herstel een diep persoonlijke reis is en dat individuen uiteenlopende houdingen hebben ten opzichte van behandelingsopties.

Bovendien moedigt het onderzoek een holistische benadering aan om depressie aan te pakken, rekening houdend met culturele, geslachts- en individuele verschillen. Door de diverse ervaringen van mensen met depressie te respecteren en te begrijpen, kunnen we empathischere en effectievere strategieën voor behandeling en ondersteuning ontwikkelen.
Dit onderzoek biedt hoop dat door de geleefde ervaringen van individuen centraal te stellen in onze benadering, we dichter bij een meer medelevend en alomvattend begrip van depressie kunnen komen, wat uiteindelijk leidt tot betere resultaten voor degenen die met deze aandoening leven.

Lees het artikel hier.