Skip to main content

Archieven: Nieuws

Lezing Behandeling van OCD

Ter gelegenheid van het verschijnen van ‘Behandeling van OCD’ geven Henny Visser, psychotherapeut en onderzoeker bij GGz Centraal en Maartje Punt, ervaringsdeskundige samen een lezing over dwangstoornissen (OCD).

20 oktober 2022
16:15 – 16:30 Inloop; 16:30 – 17:30 Lezing OCD; 17:30 – 18:30 Borrel

In deze lezing spreken Henny Visser, en Maartje Punt over het klachtenbeeld, de richtlijnbehandelingen en een nieuwe behandeling, de Inference Based Approach (IBA). Op interactieve wijze krijgt u tools aangereikt die helpen om OCD te herkennen en leren waarom dit, net als een klachtgerichte behandeling van OCD, zo belangrijk is. Er worden voorbeelden geschetst van goed behandelen conform de richtlijn en goed behandelen met IBA.

Leerboek

Tevens presenteren de sprekers het leerboek voor professionals dat zij samen schreven. Ze vertellen hoe het er van kwam om samen een boek te schrijven en staan stil bij de meerwaarde van het integreren van een klinisch, wetenschappelijk en ervaringsdeskundig perspectief.

Locatie

De lezing vindt plaats in De Veste, Zon&Schild Amersfoort en wordt ook online uitgezonden. Bij aanmelding kan worden aangegeven hoe u het programma wenst bij te wonen.

Accreditatie

is aangevraagd bij de NVvP, FGzPt en VSR.

Aanmelden

via: https://www.aanmelder.nl/lezingocd/part_program

Contact

congresbureau@ggzcentraal.nl of 06 1283 1225
Accreditatie
is aangevraagd bij de NVvP, FGzPt en VSR

Relatie negatieve opvoedervaringen en angst en depressie onder de loep

Waarom krijgt binnen één familie de ene wel depressie en/of angstklachten en de broer of zus niet? En: wat is de relatie tussen negatieve opvoedervaringen en deze mentale problemen? Over deze vragen boog Marie-Louise Kullberg zich in haar proefschrift. Wij stelden een aantal vragen aan de bijna-gepromoveerde.

Waar richtte uw onderzoek zich op?

“Negatieve opvoedervaringen en de relatie met psychische klachten in de familie-context”, vat Kullberg krachtig samen. “In het verleden is daar meer onderzoek naar gedaan en we weten dat mishandeling en verwaarlozing samenhangen met de ontwikkeling van angst en depressie, ook op langere termijn als de kinderen al lang en breed volwassen zijn. We weten echter weinig over de nuances. Bijvoorbeeld: bij angst en depressie heeft 50% van de broers en zussen last van dezelfde problemen. Waarom de andere helft niet? Door dit boven tafel te krijgen, dragen we bij aan betere en gerichtere preventie en behandeling van depressie en angst.”

Uniek: onderzoek met familieleden

Onderscheidend aan de studie is dat familieleden zijn meegenomen, weet de Leidse onderzoeker te vertellen. Lang niet bij alle onderzoeken gebeurt dit. Organisatorisch is het lastig rond te krijgen en ook voor de statistiek is het ingewikkeld. Bij de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA) hebben ze dit tijdens de 9-jaars vervolgmeting wél gedaan:  van een aantal mensen met angst en/of depressie zijn  ook gegevens verzameld van hun broers en zussen. Gegevens die Kullberg gebruikt in haar onderzoek. Ze vertelt: “Daarbij richt ik me met name op de deelstudies naar overeenkomsten en verschillen in negatieve opvoedervaringen en de ontwikkeling en ernst van angst en depressie. Leidend zijn de opvoedervaringen gebrek aan warmte, gebrek aan autonomiebevordering en overbescherming door ouders, maar ook onderzochten we de ervaringen van emotionele mishandeling, fysieke mishandeling en seksueel misbruik.”

Wat waren de belangrijkste conclusies?

“Ik vond heel veel dingen relevant”, lacht Kullberg. “Eerste interessante bevinding is dat broers en zussen opvoedervaringen delen, maar ook zeer uiteenlopen. De ene rapporteerde over emotionele  of lichamelijke mishandeling, de ander niet. Hoe dat kan? Zo’n opvoedervaring is subjectief en hangt nauw samen met de emotionele behoeften van een specifiek kind. En wat de behoeften zijn, verschilt van kind tot kind. We hebben de deelnemers gevraagd naar hun eigen beleving, we weten dus niet of de broers en zussen daadwerkelijk anders behandeld zijn door hun ouders.

Verder vonden we dat de negatieve opvoedervaringen van broers en zussen een impact hadden op de psychische gezondheid. Bovenop de eigen ervaringen dus. Dat gold vooral voor emotionele en lichamelijke mishandeling, niet voor seksueel misbruik. Wij denken dat dit komt doordat seksueel misbruik meestal achter gesloten deuren plaatsvindt, waardoor een broer of zus er vaak geen weet van heeft. Van andere vormen van mishandeling zijn broers en zussen vaker getuige, omdat ze in de gezinscontext plaatsvinden.

Waarom wordt het ene familielid depressief en de ander niet?

Dan de hamvraag van haar onderzoek. Hiervoor nam Kullberg twee karaktereigenschappen onder de loep waarvan we weten dat ze een rol hebben in de ontwikkeling van psychische klachten: interne locus of control en extraversie. Hebben die een bufferend effect als iemand negatieve opvoedervaringen heeft? Beschermen ze tegen angst en depressie? Bij de interne logic of control bleek dit het geval. Het gevoel zelf regie te hebben over je leven, het geloof dat je zelf verantwoordelijk bent voor je eigen succes zorgt ervoor dat je minder last hebt van angstklachten. Een interessante bevinding die we één op één kunnen toepassen in therapie door te focussen op het vergroten van dit gevoel. Extraversie op z’n beurt is wel te linken aan minder depressieklachten, maar bleek in ons onderzoek geen beschermend effect te hebben na negatieve opvoedervaringen.”

Hoe negatiever de opvoedervaringen, hoe ernstiger de klachten

“We zagen tenslotte ook dat binnen NESDA de mensen met ernstige, comorbide depressie- en angstklachten meer negatieve opvoedervaringen hadden dan mensen met enkel een depressieve of angststoornis en dan de gezonde controles. Bij de groep met depressie zagen we specifiek dat ze een gebrek aan warmte rapporteerden en in de groep met angst zagen we dat ze met name een gebrek aan autonomiebevordering rapporteerden.   Dit is in de lijn der verwachting: deze ervaringen van gebrek aan warmte kunnen bijdragen aan een negatief zelfbeeld, en bijvoorbeeld het idee dat je niet goed genoeg bent. We zien hierbij ook veel overlap met emotionele mishandeling. Overbescherming en gebrek aan autonomiebevordering kan een mens juist angstiger maken doordat je de boodschap meekrijgt dat de wereld een gevaarlijke plek is.”

Wat zijn de klinische implicaties?

Hoe zijn de bevindingen toe te passen in de kliniek? “De bevindingen van deze studies schudden je als GGZ wakker, ze laten namelijk zien dat het tijd is om uit te zoomen: We kijken namelijk binnen behandelingen heel erg individueel en klachtgericht, vooral bij angst en depressie, maar systematisch werken blijkt juist essentieel. Het kijken naar gezinsrelaties, opvoedervaringen in de jeugd en intergenerationele overdracht is zó belangrijk. Zeker omdat we weten dat ouders die zelf mishandeld of verwaarloosd zijn vaak negatiever tegen hun kinderen doen. Zaak is om die vicieuze cirkel te doorbreken.”

Marie-Louise Kullberg en thesis ‘Family Matters’

Marie Louise Kullberg studeerde Psychologie aan de Universiteit Leiden en in 2018 startte ze een promotietraject in bij prof. dr Bernet Elzinga. Ze onderzocht gezinsproblemen in de kindertijd en de relatie met psychische problemen, met name angst en depressie. Een onderwerp waar ze komende woensdag 21 september op promoveert. Bekijk de verdediging van haar proefschrift ‘Family Matters’ online of lees haar volledige thesis online.  Naast haar werk als onderzoeker is Marie-Louise psycholoog in opleiding tot GZ-psycholoog bij het Leids Universitair Behandel- en Expertise Centrum (LUBEC).

HBSC: Fors meer meisjes kampen met emotionele problemen

Hoe gaat het met de gezondheid en het welzijn van de Nederlandse jeugd (11-16)? Onderzoekers van de Universiteit van Utrecht, het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Trimbos-Instituut vormen samen HBSC, wat staat voor Health Behaviour in School-Aged Children. Hun zojuist uitgebrachte rapport (PDF) is alarmerend en werd 14 september jongstleden tijdens het symposium ‘Jong in de 21e eeuw’ uitgereikt aan Koningin Máxima.

De onderzoekers monitoren deze leeftijdscategorie sinds 2001 en zien de afgelopen vier jaar (2017-2021) een forse verslechtering in de mentale gezondheid onder meisjes. In deze periode steeg het aantal meisjes dat met emotionele problemen worstelt van 28 naar 43%. Onder meisjes in bijvoorbeeld groep 8, steeg dit van 14 naar 33%. Er zijn niet alleen emotionele problemen waarneembaar, maar ook een toename in hyperactiviteit en aandachtsproblemen. 

Coronavirus

Deze periode bevat uiteraard het coronavirus, met alle beperkende maatregelen van dien. De onderzoekers waarschuwen echter dat de ontwikkelde mentale kwetsbaarheid niet zomaar verdwijnt, als deze maatregelen echt achter de rug zijn. En er is meer dan het coronavirus. Ook de schooldruk nam de afgelopen twee decennia flink toe. In 2001 gaf 16% van de jongeren aan druk te ervaren vanuit school. Nu staat dat op 45%. Hier speelt een andere maatschappelijke ontwikkeling mee: jongeren, ouders en de gehele maatschappij hechten aanmerkelijk meer belang aan prestaties dan in 2001. En dat wordt gevoeld. 

Zowel jongens als meisjes geven hun eigen leven een steeds lager cijfer. Dat is nu een 7,1; dat was in 2001 nog een 8. Met name meisjes kampen echter veel meer met emotionele problemen, zoals angsten en depressies of depressieve gevoelens. 

Wat min of meer hetzelfde bleef in verhouding met 2001, zijn de sociale relaties. Relaties met ouders, klasgenoten en vrienden wordt nog steeds als ‘goed’ aangemerkt. Meisjes ervaren in de periode 2017-2021 wel minder steun van vrienden. Ze ervaren ook een verslechtering in de sfeer tussen klasgenoten. De relatie met leraren wordt ook steeds slechter. 

Kabinetsaanpak

De onderzoekers roepen het kabinet op om een nieuwe aanpak te hanteren: Mentale gezondheid, van ons allemaal. Hierin wordt specifiek bij jongeren stilgestaan. Het hele rapport van HBSC is hier te lezen.  

EEG-component voorspelt behandeluitkomst voor depressie

“Maak meer gebruik van EEG (elektro-encefalogram) bij de behandeling van depressieve stoornissen”, pleit Hannah Meijs. Zij is arts in opleiding tot psychiater en onderzoeker bij Brainclinics. Samen met collega-onderzoekers nam ze EEG-componenten onder de loep. De conclusie? Er is een EEG-component, ofwel functioneel hersennetwerk, met langzame hersengolven (slow-wave) dat bij mannen voorspelt of een behandeling voor depressie aanslaat.

Kunt u meer vertellen over jullie onderzoek?

“Kunnen we met behulp van de activiteit van hersennetwerken voorspellen welk effect een behandeling heeft bij mensen met een depressieve stoornis? Dat is in het kort waar ons onderzoek om draaide”, trapt Meijs af. “Hiervoor gebruiken we de EEG’s van psychiatrische patiënten. Bij EEG-onderzoek wordt door electroden, die geplaatst worden op de hoofdhuid, de elektrische activiteit van de hersenen gemeten, zichtbaar als golven met een bepaalde frequentie. We weten dat verschillende EEG-patronen erfelijk zijn. Onze hypothese was dat specifieke hersennetwerken, geselecteerd aan de hand van genetische informatie, helpen om te voorspellen of iemand goed reageert op antidepressieve behandeling.”

LORETA

“Gebruikmakend van specifieke technieken kan worden geschat waar de elektrische signalen in de hersenen vandaan komen. De methode die wij gebruikten heet LORETA. Een letterwoord dat staat voor ‘low-resolution brain electromagnetic tomography’. Dankzij deze techniek kunnen we hersenactiviteit visualiseren in een 3D-beeld – ook van dieper gelegen hersengebieden. Hiermee kunnen we ook analyseren welke gebieden samenwerken, welke afhankelijk van elkaar zijn: functionele hersennetwerken. Het hersennetwerk dat onder mannelijke patiënten behandelrespons bleek te voorspellen, hebben we ‘slow-wave’ netwerk genoemd, omdat het voornamelijk bestaat uit langzame golven afkomstig uit verschillende hersengebieden.”

Wat was jullie belangrijkste conclusie?

“Dit slow-wave hersennetwerk hangt samen met de polygene risicoscore (PRS) voor antidepressivarespons, dus het ‘risico’ of de kans dat iemand goed reageert op behandeling, berekend op basis van genetische varianten. Een PRS kun je voor een heleboel eigenschappen en aandoeningen vaststellen middels DNA-onderzoek, ook voor depressie bijvoorbeeld. Deze associatie zien we echter alleen bij mannen, en de voorspelbare waarde van het hersennetwerk geldt eveneens alleen voor mannelijke patiënten. Waarom weten we niet zo goed: blijkbaar zijn er toch biologische verschillen die dit verklaren. Ook lieten eerdere studies al verschil zien tussen de EEG’s van mannen en van vrouwen.”

Hersennetwerk voorspellend voor behandeluitkomst

In onafhankelijke datasets bestaande uit depressieve patiënten toonden de onderzoekers vervolgens aan dat het gevonden hersennetwerk een voorspellende waarde heeft voor de behandeluitkomst. Dat gold voor behandeling met antidepressiva/medicatie en repetitieve Transcraniële Magnetische Stimulatie (rTMS) in combinatie met psychotherapie. De nauwkeurigheid van die voorspellende waarde is getoetst in een model en deze bleek significant. “De positief voorspellende waarde in onze datasets is 69% voor medicatie en 77% voor rTMS”, voegt Meijs toe. “Dat is best goed aangezien we weten dat de effectiviteit van beide behandelingen een stuk lager ligt. Omgerekend betekent dit dat medicatie en rTMS bij respectievelijk 26% en 24% meer mannelijke patiënten effectief zou zijn.”

Kanttekening: niet toe te wijzen aan effectiefste behandeling

Het hersennetwerk heeft onder mannen dus een voorspelbare waarde voor wat betreft behandeling van een depressie stoornis. “Maar we konden de patiënten niet in subgroepen verdelen en per subgroep een behandeling toewijzen, ofwel stratificeren”, plaatst Meijs als kanttekening. “We weten niet wie beter zal reageren op medicatie, rTMS, psychotherapie of gecombineerde behandeling. Voor de toekomst zou het mooi zijn als we dit beter kunnen voorspellen. Zo’n 30% van de depressieve patiënten bereikt remissie na een eerste behandeling, dus als we dit percentage al met 25% kunnen verhogen door EEG-onderzoek in te zetten, zou dat een enorm verschil uitmaken.”

Vaker EEG’s inzetten

Lastige is alleen dat EEG’s in de meeste ziekenhuizen en ggz-instellingen nu nog niet standaard gemaakt worden bij depressieve patiënten. Dit is ook niet opgenomen in de richtlijnen, zo geeft Meijs aan. “EEG-onderzoek zou in de toekomst op grote schaal kunnen helpen om de keuze van (eerste) behandeling te bepalen. Dat maakt de zorg waarschijnlijkheid effectiever en efficiënter.”

Lees meer over het onderzoek van Hannah Meijs en collega’s: “A polygenic-informed approach to a predictive EEG signature empowers antidepressant treatment prediction: A proof-of-concept study.”

Nieuw re-integratietraject: met depressie of angst terug naar arbeidsmarkt met IPS

Ggz-patiënten die door depressie, angsten of dwanggedachtes thuiszitten, kunnen vanaf 31 augustus aanspraak maken op een re-integratietraject voor de arbeidsmarkt. Dat heeft Carola Schouten, minister  voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen bekendgemaakt. Zij heeft hier een subsidie voor toegekend van 21,5 miljoen euro. Voor deze re-integratie wordt gebruik gemaakt van IPS, wat staat voor ‘individuele plaatsing en steun’. GGZ, gemeenten en het UWV werken hiervoor samen. 

IPS is een methode die door de GGZ is ontwikkeld. Het kent een integraal traject van zorg, re-integratie en jobcoaching. Niet alleen mensen met een common mental disorder (CMD) komen voor deze IPS in aanmerking, maar ook mensen met ernstiger psychische aandoeningen, zoals schizofrenie, bipolaire stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. Uit onderzoek is gebleken dat mensen met een psychische aandoening vaker werkloos zijn en een uitkering ontvangen via de participatiewet. Psychische gezondheid en werk hebben dan ook veel met elkaar te maken. Gezond zijn en gezond voelen is belangrijk om deel te kunnen nemen aan de maatschappij. Wie actief deelneemt aan de maatschappij, voelt zich ook beter. Ondersteuning vindt plaats, zolang het nodig is.

Tot 31 augustus staat er een internetconsultatie open. Vanaf 31 augustus gaat de subsidie in werking en zijn aanvragen mogelijk, tot 14 december 2023. Meer informatie is te vinden op de website Werken met IPS.

Vitamine B6 zou kunnen helpen tegen angst depressies

Liefst 1 op de 11 jongvolwassenen (tussen 18 en 34 jaar) in Nederland loopt een hoog risico op een angststoornis of een depressie. Dit aantal is al jaren groeiende. Therapie in combinatie met  medicijnen zijn vaak de remedie, maar middelen als antidepressiva hebben vaak hevige bijwerkingen. Wat als een bekende vitamine, die gewoon bij de drogist verkrijgbaar is, eveneens uitkomst kan bieden?

We hebben het hier over vitamine B6. De vitamine zit in veel voedsel, zoals in diverse groenten en fruit, vis en zuivel. Volgens onderzoek is echter behoorlijk veel B6 nodig, om depressies en angsten te bestrijden. Daar is niet tegenop te eten, dus gaat het hier over supplementen van 100 mg. 

Experimenten

Onderzoekers aan de universiteit van Reading, Engeland, hebben met een groep van ruim driehonderd jongvolwassenen een experiment uitgevoerd. Zij werden geheel willekeurig verdeeld over vier groepen. Een kwart kreeg vijftig keer de dagelijks aanbevolen hoeveelheid vitamine B6, een kwart kreeg eenzelfde hoeveelheid, maar dan vitamine B12. De rest kreeg een placebo. Iedereen at elke dag één pil bij het avondeten. De B12-pillen hadden nauwelijks effect, vergeleken met de placebo-groep. Bij Vitamine B6 was echter een significant verschil waarneembaar. 

Het onderzoek bevindt zich nog in de beginfase. Echt conclusies kunnen daarom nog niet getrokken worden. Er was duidelijk een meer gecontroleerde hersenactiviteit. Een hoge inname van vitamine B6 zou daarom zeker voor minder angstgevoelens kunnen zorgen. Het helpt het lichaam om remmende neuronen aan te maken, die voor rust in het hoofd zorgen. Vooralsnog is een inname van 100 mg per dag het meest effectief; aanmerkelijk meer dan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. Onbekend is nog of zo’n grote hoeveelheid ook bijwerkingen hebben. Verwacht wordt dat het minder vervelende bijwerkingen heeft dan antidepressiva. De Universiteit van Reading hoopt verder te kunnen gaan met het onderzoek en hoopt op financiële steun. 

Op de website van Scientas wordt het onderzoek uitgebreid toegelicht. Op de website van Reading kun je eveneens meer lezen. 

Deelnemers gezocht voor nieuwe studie gepersonaliseerde depressiebehandeling

Het doel van deze studie is om te onderzoeken of toevoeging van een ontstekingsremmer aan reguliere depressiebehandeling met antidepressiva toegevoegde waarde heeft in vergelijking met placebo.

Mensen met depressie kunnen licht verhoogde ontstekingswaarden in hun bloed hebben. Deze licht verhoogde ontstekingswaarden gaan vaak samen met specifieke symptomen van depressie, zoals energieverlies, toegenomen eetlust of gewicht, en veel slapen. Dit type depressie wordt ook wel immuno-metabole depressie genoemd. We denken dat deze ontstekingswaarden een rol kunnen spelen in de behandeling van depressie. Het verlagen van deze ontstekingswaarden met de ontstekingsremmer celecoxib, naast reguliere behandeling met antidepressiva, kan leiden tot een groter behandelsucces.

In het INFLAMED onderzoek willen wij het effect meten van celecoxib op uw depressieve klachten. Wij willen dit onderzoeken bij mensen met specifieke symptomen van depressie en licht verhoogde ontstekingswaarden.

Waaruit bestaat het onderzoek?

Deelnemers gebruiken 12 weken lang de studiemedicatie (celecoxib of placebo). Gedurende deze periode bezoekt u 4 maal de onderzoekslocatie (Amsterdam UMC, locatie VUmc), voor een interview en bloedafname en vult u online vragenlijsten in. Daarnaast vult u thuis nog enkele malen een online vragenlijst in. Voor elk bezoek worden reiskosten gecompenseerd en ontvangt u een kadobon.

Wij zoeken

• volwassen mannen en vrouwen (18-65 jaar) met een matige tot ernstige depressie;
• bij wie symptomen als energieverlies, toegenomen eetlust of gewicht, en veel slapen aanwezig zijn;
• die behandeld worden met antidepressiva.

Uw geschiktheid voor deelname wordt in een screening onderzocht, waarbij ook met een vingerprikje wat bloeddruppels worden afgenomen. Uw normale depressiebehandeling gewoon blijft tijdens de studie doorlopen.

Meer lezen of u aanmelden

Op de website https://immunometaboledepressie.nl/onderzoek kunt u meer lezen over het onderzoek en kunt u zichzelf aanmelden voor de studie.
Dit onderzoek wordt uitgevoerd door onderzoekers van Amsterdam UMC, en wordt gefinancierd door de Hersenstichting.
Heeft u vragen of opmerkingen?
Mail naar: inflamed@amsterdamumc.nl

Sociale terugtrekking bij Alzheimer, schizofrenie en depressie. Wat is de gemeenschappelijke achtergrond?

Psychiatrische en neurologische ziektes zijn vaak moeilijk vast te stellen. Vaak lijken de symptomen op elkaar en is het niet duidelijk welke diagnose gesteld moet worden. Een voorbeeld van een symptoom wat bij verschillende psychiatrische en neurologische aandoeningen voorkomt is ‘sociale terugtrekking’. Dit houdt in dat iemand minder met andere mensen omgaat dan vroeger. Sociale terugtrekking komt onder andere voor bij mensen met de ziekte van Alzheimer, maar bijvoorbeeld ook bij schizofrenie en depressie. In dit onderzoek kijken we naar meetbare kenmerken van sociale terugtrekking. Ook meten we het denkvermogen van de deelnemers. Sociale terugtrekking bij Alzheimer, schizofrenie en depressie.

Wat is het doel?

Door middel van dit onderzoek verwachten we symptomen van schizofrenie, depressie en de ziekte van Alzheimer beter te begrijpen en te onderscheiden. Dit kan de diagnose en behandeling vergemakkelijken. Met deze studie willen we de biologische achtergrond van sociale terugtrekking onderzoeken. We hebben gekozen voor drie belangrijke ziektes die op veel gebieden verschillen, maar juist op het gebied van sociale terugtrekking op elkaar lijken.

Wie kan er deelnemen?

  • Mensen met Alzheimer van 50 – 80 jaar oud
  • Mensen met schizofrenie van 18 – 45 jaar oud
  • Mensen met depressie van 18 – 55 jaar oud
  • Gezonde controles van 18?80 jaar oud

Voordelen?

U levert een waardevolle bijdrage aan wetenschappelijke ontwikkelingen.

Wat houdt het voor u in?

Deelname aan de studie bestaat uit één bezoek aan het Spinoza Centre for Neuroimaging in Amsterdam. Dit bezoek bestaat uit een diagnostisch interview, het verzamelen van persoonlijke en medische informatie en een kort onderzoek naar uw denkvermogen. Daarnaast zal er bloed worden afgenomen, een MRI scan plaatsvinden en een EEG meting worden gedaan. Het bezoek zal ongeveer 6 uur duren.
Naast het studiebezoek zullen wij U vragen applicatie (“app”) op uw mobiele telefoon te installeren. Hiermee kunnen we uw sociale gedrag passief meten, bijvoorbeeld hoe vaak u in de buurt bent van veel mensen, zoals in de supermarkt.
De app verzamelt deze gegevens automatisch, gedurende een periode van 6 weken. De gegevens worden anoniem opgeslagen.

Er is een financiële vergoeding voor deelname aan het onderzoek en daarnaast worden uw reiskosten vergoed.

Meer info?

Bezoek onze website:
www.prism2-project.eu

Interesse?

Laat het ons weten!
prism2@amsterdamumc.nl
06 – 41 16 45 71

Download de flyer

 

 

Medicijnstudie Troriluzole

Troriluzole is een medicijn dat invloed heeft op glutamaat en daardoor anders werkt dan de huidige medicatie voor obsessief-compulsieve stoornis (OCS), zoals selectieve serotonineheropnameremmers (SSRIs) en selectieve serotonine-en-noradrenaline-heropnameremmers (SNRIs). We willen onderzoeken of mensen met OCS, die niet goed reageren op de bestaande medicatie, baat hebben bij het aanvullen van hun medicatie met Troriluzole.

Onderzoek naar Troriluzole

We bekijken of behandeling met Troriluzole de OCS vermindert. Daarnaast bekijken we hoe veilig Troriluzole is voor de behandeling van OCS en hoe goed uw lichaam het accepteert. We vergelijken het effect van Troriluzole met het effect van een placebo. Een placebo is een product zonder het werkzame bestanddeel, een ‘nepgeneesmiddel’.

Troriluzole is een nieuw geneesmiddel dat door de opdrachtgever is ontwikkeld, wat betekent dat het nog niet in de handel is gebracht en door geen enkele gezondheidsautoriteit wereldwijd is goedgekeurd.

Het onderzoek duurt ongeveer 18 weken en omvat ongeveer 7 bezoeken aan het onderzoekscentrum.

Meedoen met het onderzoek

U kunt meedoen aan dit onderzoek als u

– de leeftijd heeft tussen de 18 en 65 jaar;
– minimaal een jaar lang last heeft van OCD-klachten;
– medicijnen gebruikt (en eerdere medicijnen), die geen of niet voldoende effect hebben.

Voor meer informatie, of voor het opvragen van de uitgebreide informatie over dit onderzoek, mailt
u naar:
LUMC: troriluzole@lumc.nl (t.a.v. mevr. K. Koekenbier en mevr. P. Herbschleb) of
Amsterdam UMC locatie AMC: map@amsterdamumc.nl (t.a.v. Dr. J. Zantvoord en Dr. S. Cohen)

De onderzoekscentra

Onderzoekscentra Psychiatrie van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en Psychiatrie van het Amsterdam Universitair Medisch Centrum (Amsterdam UMC) locatie Academisch Medisch Centrum (AMC) in opdracht van BioHaven Pharmaceuticals.

Kinderen met angst en depressie minder vaak in beeld bij jeugdhulp

Voor de omgeving is het niet altijd zichtbaar als een kind last heeft van angst of depressieve klachten. Waardoor passende (jeugd)hulp vaak uitblijft. Deze verontrustende conclusie doet Diana Eijgermans die eind juni promoveerde aan het Erasmus Medisch Centrum. In haar proefschrift bracht ze de determinanten voor jeugdhulp in kaart; aan ons de eer om haar te interviewen over dit onderzoek.

Waar richtte uw onderzoek zich op?

“Ik richtte me op jeugdhulpgebruik bij kinderen van 9 tot 13 jaar”, trapt Eijgermans af. “Mijn vertrekpunt: wie ontvangen er hulp? Hiervoor gebruikte ik de Generation R-studie, een Rotterdams onderzoek waarbij 10.000 kinderen worden gevolgd. Van zwangerschap tot nu, nu ze 18 jaar zijn. Wat echt een schat aan informatie oplevert. Zelf zoomde ik vooral in op de gegevens van 0-13 jaar. Denk daarbij aan informatie over woonsituatie: bijvoorbeeld of de ouders nog bij elkaar zijn, of ze broertjes of zusjes hebben. Maar ook informatie over mentale gezondheid én of er jeugdhulp is ingezet.”

Wat ziet u met betrekking tot kinderen met angst en depressie?

“Naar voren kwam dat kinderen met angst en depressie niet altijd de juiste hulp krijgen”, vat de kersverse doctor haarscherp samen. “Zij zijn vaak niet eens in beeld bij hulpverleners. Dit, terwijl de meesten er wel baat bij hebben. Hoe dat kan? Tijdens de basisschoolleeftijd zijn hulpverleners, school en ouders meer gefocust op externaliserende problemen. Problemen die meer naar buiten gericht zijn, die de omgeving als storend ervaren. Bijvoorbeeld ADHD of autisme. Dit zijn gedragsproblemen die regelmatig tot uiting komen in druk, agressief of impulsief gedrag.

Angst en depressie zijn daarentegen meestal internaliserend: het speelt zich af in de hoofden van de kinderen. Zij zijn heel erg naar binnen gericht. Leidend voor jeugdhulp op basisschoolleeftijd is (nu nog) hoeveel impact (gedrags)problemen hebben op de omgeving. Internaliserend problematiek blijft hierdoor grotendeels uit beeld. Kinderen moeten zelf komen met zulke klachten, maar op zo’n jonge leeftijd gebeurt dat niet zo snel. Wel zien we dat die kinderen er meer mee naar buiten komen als ze ouder worden. Soms zijn de problemen dan al té erg opgestapeld, daarom zou het goed zijn als zij eerder in beeld zijn bij de jeugd-ggz.”

Kwaliteit van leven moet belangrijke graadmeter zijn

Een advies van Eijgermans is dan ook om meer te screenen op angst en depressie bij jonge kinderen. Kwaliteit van leven moet dan leidend zijn. “Hoeveel last hebben kinderen zelf van klachten? Nu kijken we nog té vaak naar enkel de aanwezigheid van problematiek. Door meer te screenen op hoe kinderen zelf hun leven ervaren, kunnen we veel sneller de kinderen eruit pikken die oplopende klachten hebben. Hiervoor moeten we zoeken naar een instrument dat niet belastend is voor leerkrachten, maar waarbij wel voldoende wordt uitgevraagd om in één oogopslag te zien wie gebaat is bij hulp. Dat werkt overigens ook de andere kant op: heb je bepaalde problemen, maar heb je er zelf geen last van? Dan is jeugdhulp misschien niet per se nodig.”

Meisjes en kinderen met niet-westerse achtergrond minder vaak jeugdhulp

Een andere belangrijke conclusie uit haar proefschrift was dat meisjes tijdens de basisschool minder hulp gebruiken. Dit kan volgens de Rotterdamse onderzoeker er mee te maken hebben dat zij meer internaliserende problemen hebben en jongens meer externaliserende. En ook kinderen met een niet-westerse achtergrond komen minder vaak in aanraking met jeugdhulp. Het gaat dan vooral om kinderen uit de Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse en Surinaamse gemeenschap. “Dit komt deels omdat mensen met deze achtergrond soms anders denken over mentale problemen”, legt Eijgermans uit. “Er rust in die gemeenschap meer een stigma op. Ze willen het zelf oplossen, willen de vuile was niet buiten hangen. En vinden veelal niet dat ze problemen hebben.

Aan de andere kant weten ze niet altijd de weg naar de juiste hulp te vinden. Soms is de oorzaak een taalbarrière, maar ons zorgsysteem is ook heel erg gericht op de blanke westerling. Daardoor voelen mensen met een andere achtergrond zich niet begrepen. Er moet nog flink aan de weg worden getimmerd op het gebied van inclusie.”

Bewustwording bij gemeenten

Een eerste stap naar een effectiever jeugdhulpsysteem is in Eijgermans’ ogen kennis. Kennis en bewustwording: “Gemeenten horen te weten welke groepen minder snel hulp krijgen. Zij moeten zich er bewust van zijn dat meisjes en kinderen met een niet-westerse achtergrond achterblijven. En dat dit niet komt doordat ze minder problemen hebben; ze krijgen gewoonweg minder hulp. Dit is een gegeven dat ze in het achterhoofd moeten houden als ze beleid schrijven en het jeugdhulpsysteem vormgeven. Met deze informatie wordt het mogelijk om preventief of eerder in te grijpen. Wat beter is voor het kind en de maatschappij.”

Proefschrift en korte bio Diana Eijgermans

Van 2013 tot 2016 volgt Diana Eijgermans de bachelor Gezondheidswetenschappen aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, waarna ze doorstroomt naar de Master ‘Health Education and Promotion’ van Maastricht University. Vervolgens weet ze haar academische loopbaan te bezegelen met een promotie-traject aan het Erasmus MC waar ze op 28 juni 2022 is gepromoveerd. De titel van haar proefschrift: ‘Access to Care: Determinants of children’s mental health care use