Overslaan en naar de inhoud gaan

Elektroconvulsietherapie bij depressie: in de praktijk net zo effectief als in onderzoek

Onderzoekers van onder andere Utrecht UMC, Amsterdam UMC en GGZ inGeest publiceerden in het wetenschappelijk tijdschrift Comprehensive Psychiatry een grootschalige studie naar de effectiviteit van elektroconvulsietherapie bij depressie. De centrale vraag: werkt deze behandeling in de dagelijkse klinische praktijk net zo goed als in zorgvuldig opgezette wetenschappelijke studies? Het antwoord is geruststellend.

Wat is elektroconvulsietherapie?

Elektroconvulsietherapie (ECT) is een behandeling waarbij onder narcose een korte, gecontroleerde elektrische prikkel wordt toegediend die een epileptische activiteit in de hersenen opwekt. ECT wordt al lang ingezet bij ernstige depressie, met name wanneer andere behandelingen onvoldoende hebben geholpen. Het is een van de meest effectieve behandelingen voor depressie, met responspercentages die in onderzoek oplopen tot 50 à 90%.

De kloof tussen onderzoek en praktijk

Bij veel medische behandelingen blijkt het effect in wetenschappelijke studies groter dan in de dagelijkse praktijk. Dit verschijnsel staat bekend als de efficacy-effectiveness gap. Een mogelijke verklaring: in onderzoek worden patiënten vaak zorgvuldig geselecteerd, waardoor mensen met bijkomende aandoeningen of complexe problematiek minder vaak meedoen. De patiënten in de dagelijkse praktijk vormen daardoor een diversere — en vaak complexere — groep.

De vraag was: geldt deze kloof ook voor ECT bij depressie? Om dit te onderzoeken werden gegevens gebruikt van 1.892 patiënten met een depressie uit het Nederlandse ECT Consortium — een grote database met gegevens uit twaalf onderzoekscohorten en tien praktijkcohorten, afkomstig van algemene ziekenhuizen, academische ziekenhuizen en ggz-instellingen door heel Nederland.

Resultaten: het verschil zit in de patiënt, niet in de behandeling

ECT bleek in beide settings effectief. Op het eerste gezicht deden patiënten in de onderzoekscohorten het wel iets beter: 67% reageerde goed op de behandeling, tegenover 59% in de praktijkcohorten. Ook de afname van depressieve klachten was in de onderzoeksgroep iets groter. Het percentage patiënten bij wie de klachten grotendeels verdwenen  verschilde echter niet significant tussen de groepen.

Het opvallendste resultaat zit in de verklaring voor dat verschil. De patiënten in beide groepen bleken namelijk wezenlijk van elkaar te verschillen. Patiënten in de onderzoekscohorten waren onder meer ouder en hadden een kortere episodeduur — factoren die samenhangen met een gunstiger behandelresultaat. Patiënten in de praktijkcohorten hadden vaker bijkomende psychiatrische aandoeningen, zoals een angststoornis of persoonlijkheidsstoornis, en vaker eerdere behandelingen die onvoldoende hadden geholpen. Met andere woorden: de praktijkgroep vormde een complexere, meer behandelresistente groep.

Toen de onderzoekers in hun analyse rekening hielden met deze verschillen in patiëntkenmerken, verdween het effectiviteitsverschil tussen de twee groepen grotendeels. De conclusie: ECT werkt in de dagelijkse praktijk net zo goed als in onderzoek. Het ogenschijnlijke voordeel van wetenschappelijke studies kwam niet door betere behandeling, maar door de selectie van patiënten.

Wat betekent dit voor patiënten en behandelaars?

Voor patiënten is dit een belangrijke en bemoedigende boodschap: ECT is een effectieve behandeling voor een brede en diverse groep mensen met depressie — óók voor patiënten met bijkomende psychiatrische aandoeningen of een complexer ziektebeeld, die in wetenschappelijke studies vaak buiten beeld blijven. Behandelaars kunnen ECT dan ook met vertrouwen presenteren als een effectieve optie, ook bij patiënten die niet aan de strikte criteria van onderzoek zouden voldoen.

Tegelijkertijd plaatsen de onderzoekers een nuttige kanttekening voor de praktijk: behandelcentra zouden zich bij het evalueren van hun eigen resultaten niet blind moeten staren op de percentages uit wetenschappelijke studies. Die liggen mogelijk iets hoger, simpelweg omdat het om een geselecteerde patiëntengroep gaat — niet omdat de behandeling daar beter is. Voor een eerlijk en realistisch gesprek met patiënten over wat ECT kan bieden, is dat een waardevol inzicht.

Wat is er nog nodig?

De onderzoekers pleiten voor toekomstig onderzoek met meer representatieve patiëntgroepen en minder strikte uitsluitingscriteria, zodat studies de werkelijkheid van de klinische praktijk beter weerspiegelen. Ook bevelen zij aan om patiënten met bijkomende aandoeningen niet langer standaard uit te sluiten van ECT-onderzoek. Grote registratiedatabases kunnen helpen om bredere inzichten te verzamelen, met aandacht voor uitkomsten als kwaliteit van leven, patiëntervaringen en cognitief functioneren.

Categorieën

TIP

Heb je een nieuwstip of zelf nieuws voor de nieuwsrubriek?
info@nedkad.nl