Nederlands Kenniscentrum Angst, Dwang, Trauma en Depressie

Is de psychiatrische patiënt beter af met richtlijnen?

30 september 2016 - Geplaatst onder: Behandelmethoden

In de psychiatrie zijn richtlijnen als leidraad voor de behandeling van patiënten een algemeen aanvaard criterium geworden. De vraag is niet alleen of deze richtlijnen overal in dezelfde mate door behandelaars worden toegepast, maar ook of de patiënt uiteindelijk beter af is als deze strak worden nageleefd.

Over dit belangwekkende onderwerp schreef LUMC-psychiater Esther van Fenema haar proefschrift, dat zij niet alleen met verve verdedigde, maar ook in de praktijk van harte onderschrijft. We vragen Van Fenema naar de belangrijkste uitkomsten van haar onderzoek.

Wat maakt deze richtlijnen zo belangrijk? En wat staat er precies in?
Van Fenema: “De richtlijnen zijn ontwikkeld voor bijna alle psychiatrische stoornissen.  Behandelaren mogen hier alleen van afwijken met goed onderbouwde argumenten. Het medisch Tuchtcollege hecht aan die juiste naleving van de richtlijnen, om goed te kunnen oordelen wanneer er tuchtzaken in de gezondheidszorg aan de orde zijn.

De richtlijnen helpen bij het bepalen van eenduidigheid in behandeling en bij de algemene professionalisering van de medische behandelpraktijk. In de richtlijnen staan de basis bouwstenen voor behandeling, zoals het voorschrijven van SSRI’s en CGT bij depressie, angst en somatoforme stoornissen. Alle adviezen die de richtlijnen geven, zijn voortgekomen uit wetenschappelijk onderzoek. Dat roept de vraag op of de uitkomsten afkomstig uit de praktijk hetzelfde zouden zijn.”

Worden de richtlijnen dan niet overal op dezelfde manier toegepast?
Van Fenema: “In eerste instantie bleek het best lastig om hierop een eenduidig antwoord te vinden. Ik werkte eerst aan de hand van een enquête, die aanvankelijk te oppervlakkige uitkomsten liet zien. Maar uiteindelijk bleek uit mijn onderzoek uit dat patiënten met stemmings-, angst-,  en somatoforme stoornissen in het begin wel volgens de richtlijnen worden behandeld. Maar naarmate de aard van de aandoening ingewikkelder werd en de behandeling complexer, waren de richtlijnen steeds minder in beeld.

De reden om dan toch strak aan de richtlijnen vast te houden, is vaak gelegen in het feit dat er geen alternatieven voorhanden zijn. Bovendien werken de psychiaters van nu uitsluitend evidence-based, dat betekent dat er weinig ruimte is voor alternatieven. Het neemt niet weg dat het erg belangrijk is om de patiënt de nodige ruimte te geven om zijn eigen pad te kiezen. Ondertussen heb je als behandelaar de verantwoordelijkheid om de richtlijnen te hanteren, ook al voelt het soms als een keurslijf. Afwijken mag alleen ‘tenzij’, dus uitsluitend met goede argumenten.”

Betekent dit dat de richtlijnen moeten worden aangepast?
Van Fenema: “De vervolgvraag die mijn onderzoek oproept is inderdaad of de huidige richtlijnen voor deze psychiatrische aandoeningen aangepast moeten worden. Of zouden behandelaren ze simpelweg consequenter moeten toepassen? De antwoorden hierop zijn niet eenvoudig te geven. De argumenten om af te wijken van de richtlijn zouden allereerst gedocumenteerd en verder onderzocht moeten worden. En om uitspraken over het effect van richtlijnen op behandeluitkomsten te doen, moeten patiëntkarakteristieken, behandeldata en behandeluitkomsten eenvoudig en betrouwbaar aan elkaar gekoppeld kunnen worden.

Feit is dat dit de behandeling ten goede zou komen. Ook omdat we dán pas kunnen aangeven of behandelingen voortkomend uit wetenschappelijk onderzoek ook écht een meerwaarde in de dagelijkse grillige, complexe praktijk van de psychiatrie hebben. Kort gezegd wordt er momenteel een hoop informatie gemist, daarom pleit ik in mijn betoog ook voor geaggregeerde klinische (behandel)data: wat is wanneer bijvoorbeeld voorgeschreven? Alleen op die manier kun je beschikken over concrete informatie. Uit die praktijkdata kunnen interessante conclusies voortkomen.”

Wat kun je zelf, als mondige patiënt, zelf doen in dit kader?
Van Fenema: “Het kan geen kwaad om als patiënt zo beslagen mogelijk te ijs te komen. Verzamel zelf zo veel mogelijk informatie en bespreek vooral met je behandelaar waarom hij of zij datgene voorschrijft. Een mondige patiënt tegenwoordig moet scherp zijn en mag kritische vragen stellen. Dat we naar aanleiding van dit onderzoek een beter beeld zullen krijgen tussen theorie en praktijk, is voor mij als behandelend psychiater van het allergrootste belang.

De data uit de praktijk zullen meer en beter moeten worden ingezet om tot optimale richtlijnen te komen. Er is op dat gebied nog een hoop werk te doen, ook omdat er de nodige heilige huisjes moeten worden afgebroken. Maar het is nog niet te laat: we hebben en houden hoop op verbetering!”

Het volledige proefschrift lezen