Nederlands Kenniscentrum Angst en Depressie

Verslag  Werkbezoek NedKad aan GGZ Friesland dd. 30-10-2012

Aanwezig vanuit NedKAD : Debby Brink, VGZ Eindhoven; Maarten Kaarsemaker, Centrum voor Angst en Dwangstoornissen Venray; Eric Ruhe , UMCG; Leo Timmerman, GGZ Drenthe (notulen)
Vanuit GGZ Friesland: Sybolt Okke de Vries, psychiater, programma directeur Angst en Stemming; Hans Postma, klinisch psycholoog programma specialist Angst; Mirjam Blaauw –Smit, psychiater, programma specialist Stemming.

Inleiding

De Zorgprogrammering zoals in dit document beschreven loopt nu 2.5 jaar.
In de oude situatie was de onderlinge samenhang tussen de verschillende therapie onderdelen en behandelingen beperkt.
“Iedereen deed alles te gelijk….”
Dit maakte het behandelaanbod onoverzichtelijk voor patiënten, zorgverleners en verwijzers.
Aanvankelijke pogingen om tot zorgprogrammering te komen strandden op autonomie van de regio’s, onvoldoende centrale sturing en back up.

In 2010 is binnen GGZ Friesland een matrix structuur ingevoerd waarin de behandeling centraal is gesteld, de verzekeraars wilden meer inzicht in gegeven behandelingen en hun (outcome) effecten en er kwam concurrentie door andere zorgaanbieders in de provincie.
De totstandkoming geschiedde met sterke stimulering door een nieuwe RvB van GGZ Friesland die strak stuurde op implementatie en de financiële aspecten. Plexus werd ingeschakeld bij het implementatieproces. Scholing werd georganiseerd en standaardisatie in de behandeling is ingevoerd.
Een professioneel statuut werd opgesteld waardoor niet langer “iedereen alles deed”.
Geholpen heeft verandering van imago: Zorgprogrammering is niet primair om te bezuinigen maar om de kwaliteit van zorg te verbeteren.

Binnen GGZ Friesland vindt de basiszorg plaats via DENK.

Aanmelding voor de zorgprogramma`s Angst en Stemming gaat in 1e instantie via een verpleegkundig specialist. De huisarts kan desgewenst ook zelf overleggen met programma specialist.
De intake fase is kort (één of twee gesprekken) er wordt een werkdiagnose gesteld en een basis zorgpad opgesteld (maximaal 16 behandelingen in 26 weken), in de 16 afspraken zitten reeds “reserve “afspraken”. De eerste acht afspraken zijn wekelijks de volgende acht twee wekelijks. Tijdens het zorgpad is het aantal facultatieve modules dat een patiënt kan volgen gemaximeerd tot twee naast de standaard modules van een zorgpad.
Halverwege het zorgpad wordt kritisch geëvalueerd, zo nodig eerder.
Het blijkt niet altijd nodig dat patiënten 16 behandelingen vol maken. Het is mogelijk zo nodig een client een vervolg zorgpad aan te bieden.
Van de beslisboom kan slechts in overleg met de programmaspecialist (een klinisch psycholoog of psychiater) worden afgeweken.
Tijdens intake/ behandeling is altijd consultatie mogelijk door een (programma) specialist.
Aan het eind van het zorgpad kan de behandeling worden afgesloten of een ander programma geïndiceerd worden. Hierbij dient men als ontvanger “De bal aan te nemen”, dit voorkomt een nieuw indicatie onderzoek.

Informatie van de instelling zelf

1. Algemene organisatie van de instelling (grootte; aantal fte behandelaars; aantal patiënten; indeling in zorgeenheden/groepen; etc).

Werknemers GGz Friesland 1536 fte
Behandelaren incl. verpleegkundigen & begeleiders  1142 fte
Angst en Stemming 54 fte
Aantal patiënten Angst en Stemming 3000

 

GGZ Friesland is ontstaan uit een fusie tussen het Psychiatrisch Ziekenhuis in Franeker, het Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis Zuid-Oost Friesland, het RIAGG Friesland, de RIBW Friesland en het Kinder- en Jeugd Psychiatrisch Centrum Het Groene Hart.

Het organogram van GGz Friesland:

OrganogramGGZFriesland

CCR: centrale cliëntenraad. OR: ondernemingsraad. WO&O: Wetenschappelijk Onderzoek en Opleiding. HR: personeelsafdeling. F&B: financiën en bedrijfsvoering. Denk: anderhalve lijns zorg en preventie. Kinnik: kinder- en jeugdpsychiatrie. De Swaai: psychiatrie & verstandelijke handicap. Mind-Up: rehabilitatie, wonen en werken. Zorgprogramma Spoed: opnameafdelingen en crisisdienst

Het Zorgprogramma Angst en Stemming maakt deel uit van het onderdeel Psychiatrie. Iedere programmadirecteur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het behandelaanbod binnen zijn zorgprogramma. Hij stelt de disciplinemix vast die nodig is om het zorgprogramma uit te kunnen voeren, stelt samen met de programmaspecialisten (een psychiater of klinisch psycholoog die inhoudelijk leiding geeft aan een van de teams) jaarlijks een scholingsprogramma op, ziet toe op de toepassing van het zorgprogramma en is betrokken bij de jaargesprekken met de programmaspecialisten. De programmadirecteur is lid van de programmaraad: de verzameling van programmadirecteuren, de A opleider, de geneesheer directeur en de voorzitter van de Raad van Bestuur. De programmaraad toetst de zorgprogramma’s op inhoud en vorm en zorgt voor een goede onderlinge afstemming tussen de zorgprogramma’s. Het onderdeel Psychiatrie heeft een algemeen directeur die verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering. In formele zin is er sprake van een matrixorganisatie waarbij algemeen directeur en programmadirecteur afzonderlijk rapporteren aan de Raad van Bestuur.

2. Organisatie van de behandeling van Angststoornissen en depressie (opbouw afdeling, bezetting personeel, aantal patiënten, kenmerken patiënten etc)

Teams. Het Zorgprogramma Angst en Stemming wordt op 6 locaties aangeboden: Dokkum (polikliniek), Drachten (polikliniek), Heerenveen (polikliniek), Sneek (polikliniek), Leeuwarden HegeWier (polikliniek) en Leeuwarden Jelgerhuis (dagbehandeling). Zo zijn er in totaal 11 teams; 5 poliklinische teams angst, 5 poliklinische teams stemming en een dagbehandeling. De dagbehandeling heeft een bovenregionale functie. Elke team wordt op behandelinhoud aangestuurd door een programmaspecialist: een psychiater of klinisch psycholoog. Zo wordt de behandelplanbespreking voorgezeten door de programmaspecialist. Daarnaast zijn er teammanagers die verantwoordelijk zijn voor de bedrijfsvoering.

Overlegstructuur. Eens in de maand komen de programmaspecialisten bijeen onder voorzitterschap van de programmadirecteur. Dit zgn programmaoverleg zorgt ervoor dat het zorgprogramma wordt aangepast als de ontwikkeling van het vak, of de uitwerking van het programma in de praktijk (kinderziektes) daarom vragen. Ook draagt het zorg voor het opstellen van een scholingsplan dat voorziet in de inhoudelijke ontwikkeling van de medewerkers in dienst van het zorgprogramma. Het programmaoverleg is ook het forum waar implementatieproblemen worden opgelost en waar instellingsbeleid rondom bijvoorbeeld suïcidebeleid, dossiervoering, ROM etc, wordt vertaald in acties. De algemeen directeur neemt ook deel aan dit overleg om de vertaling naar de ‘lijnorganisatie’ te borgen. Omgekeerd neemt de programmadirecteur deel aan het overleg van de algemeen directeur en de teammanagers.

Formatie. Op dit moment is de formatie van het zorgprogramma begroot op 54 fte totaal, inclusief dagbehandeling, in een verhouding van ongeveer 3:5 voor angst vs stemming. Hieronder een overzicht van de disciplinemix 2012.

Discipline fte
Vaktherapeuten psychomotorische therapie  1.98
Vaktherapeuten creatieve therapie  0.67
GGZ vaktherapeuten: systeem therapeut 2.11
GGZ vaktherapeuten: muziek therapeut  0.44
GGZ vaktherapeuten: activiteiten begeleider  0.44
Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen 11.64
Verpleegkundigen 2.33
Arts (agio/agnio)  4.24
Psychiaters 6.04
 GZ-psychologen   14.96
 Klinische Psychologen   6.29
Psychotherapeuten  2.87
 Totaal 54.01

Deze disciplinemix is mede gebaseerd op modelmatige doorrekening van het zorgprogramma, rekening houdend met de tijdsinspanning per discipline voor elke module, en een ingeschat gebruik van de verschillende zorgpaden en gemiddeld 80% patiëntgebonden tijd voor behandelaren. Deze disciplinemix wordt o.b.v. managementinformatie t.a.v. geboden behandelingen per jaar doorgerekend en zonodig bijgesteld.

Patiëntenaantallen. Per maand worden ongeveer 100 nieuwe patiënten met een stemmingstoornis aangemeld, en 60 nieuwe patiënten met een angststoornis. In juli 2012 waren er in totaal 2000 patiënten met een stemmingsstoornis en 1000 patiënten met een angststoornis in behandeling in het zorgprogramma.

3. Op welke wijze is het personeel geïnformeerd over de beschikbare richtlijnen, hoe worden nieuwe medewerkers geïnformeerd/geïnstrueerd?

Het zorgprogramma is voorbereid door multidisciplinaire werkgroepen. Bij de samenstelling ervan is gelet op regionale vertegenwoordiging, vertegenwoordiging per discipline, en op de vraag of de vertegenwoordiger het in zich had om de keuzes uit te dragen in zijn of haar team.
Begin 2010 is de implementatie van het zorgprogramma gestart. Alle medewerkers van het zorgprogramma zijn in die periode op scholingsbijeenkomsten op de verschillende locaties uitgebreid geïnformeerd over het zorgprogramma en over de nieuwe manier van werken (zorgpaden, beslisbomen, inrichting van het EPD op zorgprogrammering). Bij de aanpassing van het zorgprogramma in 2011 is opnieuw een scholingsronde opgezet.
De programmaspecialist ziet er in de dagelijkse praktijk op toe, onder meer door sturing te geven aan de behandelplanbespreking, dat de richtlijn en het zorgprogramma worden vertaald naar adequate behandelbeslissingen.
Voor het werken met het EPD nieuwe stijl zijn sinds de invoering van het zorgprogramma E-learning modules ontwikkeld voor nieuwe medewerkers.

4. Op welke wijze werkt de instelling met de landelijke richtlijnen (hoe zijn deze vertaald naar de werkvloer, welke issues wel overgenomen en welke niet en waarom zijn deze keuzes gemaakt; hoe vindt de registratie plaats)?

Stemming. Het Zorgprogramma Stemming is geschreven op de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie tweede revisie uit 2010 en de richtlijn Bipolaire Stoornissen van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie uit 2008.
De zorgpaden voor patiënten met een depressieve stoornis zijn zo gekozen dat ze zo goed mogelijk aansluiten bij de stappen die worden onderscheiden in de multidisciplinaire richtlijn. We maken, conform de richtlijn, onderscheid naar ernst en duur van de depressieve stoornis, en of er sprake is van een eerste episode of van een recidief. We maken in de zorgpaden ondermeer onderscheid in zogenaamde enkelvoudige behandeling (één verplichte behandelmodule tegelijkertijd, bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of farmacotherapie) en complexe behandeling (combinatiebehandeling, bijvoorbeeld een psychologische interventie en farmacotherapie). Laatstgenoemde zorgpaden worden ingezet waar een enkelvoudige aanpak onvoldoende is gebleken, of waar te verwachten is dat deze onvoldoende zal zijn. Aan de verplichte modules kunnen facultatieve modules worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld running of assertiviteitstraining. De verzameling facultatieve modules waaruit gekozen kan worden verschilt per zorgpad en is kleiner bij de enkelvoudige zorgpaden.
De eerste stap interventies zoals bibliotherapie, een cursus ‘In de put uit de put’ en running zijn sinds begin 2012 ondergebracht buiten het zorgprogramma bij een ‘anderhalve’-lijns onderdeel van Ggz Friesland (Denk, www.denk.nl). Korte probleemoplossende gespreksbehandeling wordt geboden door zowel de POH GGz vanuit Denk, als door SPV-en van het zorgprogramma.
In aanvulling op de richtlijn depressie hebben de programmaspecialisten zorgpaden gedefinieerd die voorzien in de behandeling van patiënten met een depressieve stoornis en een comorbide persoonlijkheidsstoornis of kenmerken daarvan. Het gaat daarbij om patiënten waarbij we verwachten, of waarbij is gebleken, dat patiënten door de persoonlijkheidskenmerken onvoldoende profiteren van reguliere enkelvoudige interventie (bijv cognitieve gedragstherapie). Deze patiënten wordt in de meeste gevallen een (verkorte) schematherapie geboden naast bijvoorbeeld een farmacotherapietraject. Ook kortdurende steunende psychodynamische psychotherapie (KPSP) is als optie voor deze groep opgenomen in het zorgprogramma. Echter in de praktijk is deze optie bij Ggz Friesland op dit moment nog onvoldoende beschikbaar.

Angst. In het ZP Angst is, wellicht sterker nog dan in de multidisciplinaire richtlijn het geval is, voorrang gegeven aan de psychologische interventies. Farmacotherapie kan op indicatie worden toegevoegd als facultatieve module of in uitzondering (bijvoorbeeld vanwege de uitgesproken voorkeur van de patiënt) als monotherapie worden ingezet.
De verschillende behandelprotocollen die beschreven zijn in het boek “Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg” hebben model gestaan voor de inrichting van de zorgpaden.
5. Op welke wijze en hoe vaak wordt de vertaling naar de werkvloer gewaarborgd/gecontroleerd. (wanneer wordt de werkwijze aangepast; als de professionals zich niet conformeren aan de werkwijze, wat gebeurt er dan?)

Documentatie. De inhoud van het zorgprogramma wordt beschreven in een set documenten die verschillen in de mate van detail.
– In de algemene zorgprogrammatekst wordt de landelijke richtlijn vertaald naar een uitwerking in zorgpaden met daarbij een beslisboom (voorbeeld beslisboom zie zorgprogramma Angst en Stemming) die aangeeft wanneer welk zorgpad bij voorkeur wordt ingezet. Deze beslisbomen zijn ook opgenomen in het EPD en worden na intake of na evaluatie van een zorgpad door de behandelaar ingevuld.
– In het modulenboek zijn de verschillende behandelmodules en de wetenschappelijke achtergrond ervan in meer detail beschreven volgens een vast (Trimbos) format
– Protocollen beschrijven in nog meer detail hoe bijvoorbeeld een CGT groepsmodule voor depressie per sessie is opgebouwd.
– Er is een richtlijn psychofarmacotherapie die wordt beheerd door de geneesmiddelencommissie van Ggz Friesland.
De laatste versies van deze documenten zijn op het intranet beschikbaar voor alle behandelaren. De zorgprogramma’s worden jaarlijks geëvalueerd en aangepast.

Sturing door de specialist. De programmaspecialist van het team wijst op basis van de informatie die beschikbaar is bij aanmelding de intake toe aan een van de behandelaren in het team. Bij voorkeur is dat de behandelaar die naar alle waarschijnlijkheid ook de behandeling zal uitvoeren. De complexe problematiek gaat bij voorkeur naar een specialist (psychiater/klinisch psycholoog). Soms wordt er gematchd op persoon.

Na afloop van de intake vult de intaker de beslisboom in. Indien de uitkomst van de beslisboom wordt gevolgd kan de behandeling aansluitend worden gepland. Bij afwijking van de beslisboom na de intake moet er overleg plaatsvinden met een programmaspecialist van het team, bij voorkeur de programmaspecialist. Deze beoordeelt of er voldoende grond is om van de beslisboom (=richtlijn) af te wijken.

Aan het einde van ieder zorgpad vindt een multidisciplinaire evaluatie plaats. Van tevoren vult de behandelaar samen met de patiënt een evaluatieformulier in. Tijdens de vergadering wordt de casus kort besproken, met speciale aandacht op het vervolgbeleid. Hierna wordt de beslisboom zoals eerder doorlopen bij de intake/vorige evaluatie ingevuld en kan indien nodig i.o.m. de aanwezige programmaspecialist beredeneerd worden afgeweken van de beslisboom.

De programmaspecialisten, hebben dus niet alleen een rol als consulent, of behandelaar in geval van complexe casuïstiek, maar ze hebben ook een essentiële rol in het toezien op het gebruik van het zorgprogramma in de dagelijkse praktijk.

Wanneer een behandelaar zou weigeren volgens de genoemde principes te werken dan zou bijvoorbeeld een functioneringstraject kunnen worden in gezet. In de praktijk is dit niet aan de orde geweest.

6. Vindt er een resultaatsmeting van de behandeling plaats (hoe vaak; op welke manier; ook tussentijds)?

Bij intake en tegen het einde van de behandeling wordt instellingsbreed de OQ45 ingezet. In de zorgprogrammateksten zijn de verschillende stoornisspecifieke instrumenten die worden gebruikt en de frequentie waarmee ze worden gebruikt per zorgpad aangegeven. Alle instrumenten zijn ondertussen online beschikbaar via Roqua en via een koppeling terug te vinden in het EPD. Deze koppeling is nog niet zo lang beschikbaar en de inzet van deze ROM instrumenten begint op gang te komen. Deze metingen zijn (nog) niet standaard onderdeel van de beslisbomen (indicatiestelling/evaluaties).

Stemming. IDS-SR (standaard 1x/4wk) en binnenkort ook Life chart online (KenBis). Wordt nu met name nog ingezet in de dagbehandeling, bredere inzet op de polikliniek volgt.

Angst. Diverse instrumenten waaronder bijvoorbeeld de YBOCS voor OCD. In november organiseren we een start- en instructiebijeenkomst voor alle behandelaren.

7. Hoe vindt behandeling plaats bij patiënten die niet volgens de richtlijnen worden behandeld?

Bij afwijking van de richtlijn/beslisboom wordt zo mogelijk een alternatief zorgpad gekozen en worden de overwegingen die hebben geleid tot afwijken van de richtlijn vastgelegd in het EPD. Indien geen van de vooraf beschreven zorgpaden voldoende past bij de aard van de problematiek maar wel een behandeling binnen het desbetreffende zorgprogramma is geïndiceerd kan een zorgpad op maat worden gemaakt. De duur van zo’n zorgpad is maximaal 6 maanden.

Bij een angststoornis NAO wordt i.o.m. de programmaspecialist een keuze uit de bestaande zorgpaden gemaakt of wordt op aangeven van de programmaspecialist een behandeling gedefinieerd.

8. Zijn er speciale hulpinstrumenten ontwikkeld door de instelling voor de toepassing van de richtlijnen (zowel voor hulpverleners als patiënten)?

Zoals ook onder punt 5 beschreven zijn er beslisbomen ontwikkeld die de behandelaar op basis van kenmerken van de stoornis en de patiënt (ernst, duur, recidief, complicerende factoren) toe leiden naar een eerste keus zorgpad, daarbij rekening houdend met eerdere interventies. Deze beslisboom is daarmee een weerslag bijvoorbeeld de richtlijn depressie. Deze beslisboom is geïntegreerd in het EPD, en daarmee wordt (in beginsel) ook vastgelegd in het dossier van de patiënt of de richtlijn is gevolgd of dat daar beredeneerd van wordt afgeweken.

De ontwikkeling van een vergelijkbare beslisboom voor verwijzers en patiënten ligt momenteel stil.

9. Welke onderdelen gaan goed(bijvoorbeeld ook issues als commitment hulpverleners; sturing directie; nascholing; registratie; evaluatiemetingen; motivatiebevordering patiënten etc)?

• Na een tweetal jaren die werden gekenmerkt door rommeligheid die samenhing met de invoering van een geheel nieuwe werkwijze en onzekerheid bij medewerkers samenhangend met een gelijktijdige reorganisatie is het werken met zorgpaden binnen het zorgprogramma voor de meeste behandelaren nu vanzelfsprekend en dagelijkse kost. Dit heeft de visitatiecommissie ook gezien tijdens een behandelplanbespreking van een van de teams.
• Bij de samenstelling van de teams, dwz de mix van disciplines, is behandelinhoud leidend geweest; dat wat nodig is om het programma optimaal te kunnen aanbieden.
• We zijn erg tevreden over het scholingsprogramma dat we in gang hebben kunnen zetten. Binnen de organisatie is daar een redelijk ruim budget voor vrijgesteld (€120.000 in 2011 voor het zorgprogramma angst en stemming). We kunnen daarmee bijvoorbeeld een flink aantal Gz psychologen de aanvullende VGCT registratie gedragstherapeut laten halen, de SPV-en zijn nu bijna allemaal opgeleid tot gedragstherapeutisch medewerker, en de lithiumverpleegkundigen hebben de masterclass van het KenBis kunnen doen.
– We zijn ook tevreden over de toegenomen systematiek die we op deze manier in de behandeling hebben kunnen brengen; niet teveel tegelijk, doorpakken als het moet en niet te lang doorgaan met iets dat onvoldoende effect heeft, iedereen doet waar hij of zij goed in is.
– Verantwoordelijkheden zijn goed geborgd door de combinatie zorgprogramma en professioneel statuut; in het zorgprogramma is bijvoorbeeld vastgelegd wie hoofdbehandelaar is in een bepaald zorgpad, het professioneel statuut regelt wie waarvoor verantwoordelijk kan zijn, en wanneer bijvoorbeeld een specialist moet worden ingeschakeld.
– Het lijkt erop dat de behandelaren, de patiënten en de verwijzers beter weten wie wat doet en hoe dat tussen de onderlinge hulpverleners afgestemd is, conform de doelstelling voorafgaand aan het opstellen van het zorgprogramma
– Invoering van het zorgprogramma heeft geleid tot een veel systematische evaluatie van lopende behandelingen en tot een betere berichtgeving aan de verwijzer.
– Patiënten zijn erg tevreden over de centrale agendaplanning (het afsprakenburo) en het kunnen plannen van series afspraken (gemiddeld rapportcijfer 8.2, n=140). Wij kregen de indruk tijdens de visitatie dat de tevredenheid over de afspraken erg wisselend was. Ik begreep dat vooral de tevredenheid bij de personeelsleden postitief was ten aanzien van planning.
– De gemiddelde productiviteit is toegenomen en de programmaspecialisten hebben de indruk dat patiënten eerder klaar zijn met hun behandeling dan vroeger het geval was. Hierover zijn nog geen cijfers beschikbaar.
– Bij nabespreking met de visitatie commissie wordt geconstateerd dat er bij de commissie een zeer positief beeld is ontstaan betreffende de kwaliteit van de zorgprogrammering Angst en Stemming bij GGz Friesland.
– De discipline mix klopt i.h.a., de functie differentiatie wordt positief ervaren, het multidisciplinaire overleg vloeit helder voort uit de zorgprogrammering en evaluaties.
– De implementatie van deze zorgprogramma`s is voortreffelijk en wordt goed ondersteund door een op zorgprogrammering toegesneden EPD. Wel werd geconstateerd dat het EPD te traag werkt.
Opleiding kan mede door de invoering van zorgprogramma`s adequaat plaats vinden
– ROM zit standaard in het EPD, waarbij dit nog niet optimaal is geïntegreerd in de beslisbomen.
– Avond spreekuren zijn in opbouw

10. Op welke onderdelen zijn er nog verbeteringen toepasbaar of welke hobbels zijn te hoog?

Er heerste ten tijde van de visitatie een open en oprechte sfeer waarin zowel op bestuurlijk, organisatorisch en inhoudelijk niveau openhartig kon worden gediscussieerd tussen de visitatiecommissie en de vertegenwoordigers van de programmacommissie Angst- en Stemmingsstoornissen van GGZ Friesland. Dit heeft de commissie zeer gewaardeerd. Naast de lof die er bij de commissie bestaat voor het getoonde zorgprogramma en de inzet van de programmaspecialisten en –directeur, zijn er -zodoende- verdere verbeterpunten vastgesteld, die voor een groot deel ook al door de programmacommissie van GGZ Friesland zelf waren opgemerkt:
– De centrale agendaplanning kent nog vele kinderziektes. Het plannen van series afspraken is geen sinecure, zeker wanneer er meerdere behandelmodules tegelijkertijd worden ingeschakeld. Voor sommige zorgpaden, bijvoorbeeld die voor bipolaire patiënten, komt men mogelijk terug op het plannen in serie. Het is zorgelijk dat door ziekte en/of andere capaciteitsproblemen bij de zorgadministratie wachttijden voor behandeling oplopen en/of de capaciteit van behandelaren onvoldoende wordt benut.
– Door de sterke verankering van het zorgprogramma in het EPD zijn we ook afhankelijker geworden van IT-systemen en haal je meer overhoop als je besluit om het behandelaanbod iets aan te passen aan bijvoorbeeld nieuwe ontwikkelingen. Dit zal met name tot problemen lijden bij aanzienlijke wijzigingen in de richtlijnen (die als basis dienen voor de beslisbomen)
• De visitatie commissie merkt op dat het standaard invoeren van een groot aantal afspraken bij de start van de behandeling leidt tot enige rigiditeit voor patiënt en behandelaar.
– No show wordt bv. niet altijd goed aan de behandelaar doorgegeven. De behandelaar is hierbij sterk afhankelijk van het afspraken bureau. Er is een procedure voor het doorgeven van no-shows in de maak.
– Mogelijk kunnen meer behandelingen in groepsverband worden aangeboden.
– ROM loopt momenteel niet optimaal, en is zoals opgemerkt nog niet geïntegreerd met de beslisbomen.
– De potentiële flexibiliteit qua aanbod op diverse locaties kan verder worden aangewend om de wachttijden voor de patiënt te bekorten.
– De commissie merkte op dat bij patiënten bij wie in het team enige twijfel/discussie ontstaat t.t.v. de evaluatie en het opnieuw doorlopen van de beslisboom een nieuwe evaluatie over 6 maanden te lang is.
– De commissie merkte op dat met het oprekken van de evaluatietermijnen van de multidisciplinaire richtlijn depressie van 4 naar 6 maanden het tempo van de vervolgstappen met een factor 1.5 vertraagd. De logistieke problemen voor deze uitbreiding zijn besproken en herkenbaar, maar wellicht kan eea bekort worden tot cycli van 5 maanden, oa ook door minder geplande sessies in de modules te plaatsen (bijv 12 of 14 i.p.v. 16)
– De commissie merkt op dat een verdere protocollisering van de psychotherapieen, farmacotherapie mogelijk is, teneinde het aanbod verder te kwalificeren.Vooral de initiele zorgpaden zijn beschreven met een eventuele herhaling. De commissie merkt op dat het nog niet zo duidelijk is wanneer medicatie alleen of juist in combinatie met CGT ingezet moet worden. Dit is een ontwikkelpunt voor de toekomst. M.a.w. de indicatiecriteria voor de keuzemomenten in de beslisboom kunnen waarschijnlijk nog verder geëxpliciteerd worden (zie ook punt hieronder t.a.v. profielen; dit zou ook een vraag voor wetenschappelijk onderzoek kunnen zijn)
– Wetenschappelijk Onderzoek verdient meer aandacht, waarbij er initiatieven liggen om een nadere samenwerking tussen GGZ Friesland en het UMCG te komen. De huidige programmering en de ingerichte zorgpaden geven een goede basis om op de praktijk gerichte onderzoeksvragen en potentieel zelfs interventieonderzoek te gaan doen. De interesse hiervoor bij medewerkers is nog pril maar lijkt in potentie aanwezig.
– In de toekomst kan verdere differentiatie van ‘profielen’ van patiënten leiden tot snellere opschaling naar meer intensieve zorg typen.