Nederlands Kenniscentrum Angst en Depressie

Oorzaak en behandeling bij gegeneraliseerde angststoornis

11 januari 2017 - Geplaatst onder: Angst, Behandelmethoden

Angst is op zichzelf een natuurlijke en normale reactie op dreigend gevaar. Het is over het algemeen nuttig en leidt tot voorzichtigheid in een gevaarlijke situatie. Maar wat als de angst toeslaat als het gevaar niet reëel is? En de mate van angst niet in verhouding staat tot de oorzaak? Dan spreken we van een angststoornis. Wat is het en is er iets aan te doen? Bij Omroep Max een gesprek hierover met huisarts Ted van Essen en cabaretier Pepijn Schoneveld.

Bang voor iets heel specifieks

Wanneer mensen in paniek raken zonder dat er echt reden voor is, spreken we van een angststoornis. Er bestaan verschillende angststoornissen zoals straatvrees, smetvrees, hypochondrie (ziektevrees), hoogtevrees, vliegangst, claustrofobie en angst voor spinnen, slangen of muizen. Mensen zijn bang voor een specifiek iets waarbij de angst overgaat zodra de oorzaak is weggenomen. Dus wanneer iemand met hoogtevrees weer met beide benen op de grond staat is de angst weg, de paniek is over.

Gegeneraliseerde angststoornis

Bij een gegeneraliseerde angststoornis voelen mensen zich vrijwel continu angstig, nerveus en bezorgd over allerlei dingen uit het dagelijks leven terwijl daar eigenlijk geen aanleiding voor is. Het kan gaan om of de kinderen wel veilig uit school komen, of er geen bacteriën in vlees zitten, of de trein geen ongeluk krijgt, kortom dingen waar we allemaal wel eens bij stil staan en ons mogelijk zorgen over maken, maar niet zo erg en niet zo lang.

Het woord ‘gegeneraliseerd’ geeft aan dat het bij deze vorm van angst over zo ongeveer alles gaat en dat de angst langdurig aanhoudt. Als criterium houden artsen aan dat het minstens 6 maanden duurt. Het wordt ook wel ‘piekerstoornis’ genoemd. En omdat die angst over alles kan gaan is het ook niet makkelijk om hem te stoppen door iets uit de weg te gaan.

Klachten en vaststelling

Mensen met gegeneraliseerde angststoornis zijn rusteloos, gespannen, slapen slecht en zijn daardoor moe, prikkelbaar en kunnen zich slecht concentreren. Andere (lichamelijk) klachten zijn spierspanningen, hartkloppingen, zweten, koude rillingen, beven, duizeligheid en benauwdheid.

Tintelingen of een doof gevoel in de handen of voeten, een droge mond, last van hoofdpijn, misselijkheid, maagpijn, braken, hyperventileren en het gevoel krijgen dat ze flauw vallen, komt ook vaak voor. Mensen die hier aan lijden hebben het gevoel de controle over zichzelf te verliezen en zijn soms bang dat ze gek worden of erger nog, doodgaan.

Een angststoornis heeft vaak ook sociale gevolgen. Want afspraken worden afgezegd, de omgang met vrienden neemt af en het lukt vaak niet om normaal mee te komen op het werk. Een (gegeneraliseerde) angststoornis kent nogal wat verschijnselen. Om zeker te zijn dat het om een (gegeneraliseerde) angststoornis gaat moet dit door een arts worden vastgesteld.

Gemiddeld heeft 20 procent van de Nederlanders ooit in z’n leven last van een angststoornis. Bij vrouwen is dit iets meer (23 procent) dan bij mannen (16 procent). De gegeneraliseerde angststoornis of piekerstoornis is daar één vorm van. Van deze stoornis krijgt zo’n 4,5 procent van de Nederlanders in de loop van het leven mee te maken. Vrouwen tweemaal vaker dan mannen.

Oorzaak

De oorzaak is niet exact bekend, maar het begint meestal met een reëel probleem waar iemand niet goed raad mee weet. Hier begint het piekeren. Dit neemt na een tijdje extreme vormen aan en er wordt hoe langer hoe meer gepiekerd, ook over irreële problemen. Erfelijkheid lijkt hierbij een rol te spelen.

Toch hoeft een erfelijke aanleg niet te betekenen dat men zelf ook aan piekerstoornis gaat lijden. Omgevingsfactoren spelen ook mee, zoals overbezorgde ouders of een ingrijpende gebeurtenis. Spelen deze factoren geen rol, dan krijgt men er misschien wel nooit last van, ondanks erfelijke aanleg. Het lijkt erop dat mensen die erg perfectionistisch zijn er een wat grotere kans op hebben dan mensen die gemakkelijk dingen van zich afschuiven.

Ook bestaat de indruk dat mensen die alleen wonen, of die geen werk hebben, of weinig inkomen hebben, of die depressief zijn of een verslavingsprobleem hebben, vatbaarder zijn voor deze aandoening. Daarnaast kan het ook nog zijn dat bepaalde stofjes in de hersenen, de neurotransmitters, ontregeld zijn.

Wanneer er sprake is van stofjes in de hersenen die niet goed in balans zijn, dan kunnen medicijnen uitkomst bieden. Tegenwoordig gaat de voorkeur daarbij uit naar antidepressiva van de typers SSRI, bijvoorbeeld paroxetine, citalopram of fluoxetine. Deze medicijnen hebben wel pas na een paar weken gebruik het gewenste effect. Tot en met de jaren 80 werden angststoornissen voornamelijk met benzodiazepines behandeld, maar die kunnen lijden tot versuffing en de kans op verslaving is groot. Voor de acute behandeling van angst kunnen ze wel effectief zijn.

Behandeling

Vaak wordt na een doorverwijzing naar een psycholoog of psychiater ook begonnen met een gedragstherapeutische behandeling. Bij de meest angststoornissen komt het erop neer dat mensen steeds een beetje meer worden blootgesteld aan de reden van hun angst (exposure) zodat er na verloop van tijd gewenning ontstaat en de paniek verdwijnt. Dat werkt bij angst voor spinnen of kleine ruimtes misschien wel, maar niet bij een piekerstoornis: daarbij is er immers niet één duidelijke oorzaak aan te wijzen. Wat wel kan helpen is proberen uw gedachten te veranderen.

Het bijhouden van een dagboekje waarin u precies noteert wat er gebeurt op angstige momenten, wat u dan voelt en wat u denkt geeft inzicht. Hiermee creëert u als het ware wat afstand tot de angst. Oefen ook in het oproepen van positieve, geruststellende gedachtes zodat u die als een soort automatisme kunt inzetten. Afleiding (even naar buiten, even iemand bellen) kan ook helpen om het piekergedrag te doorbreken. En ademhalingsoefeningen zijn ook nuttig.

Dit onderwerp wordt besproken met huisarts Ted van Essen in Tijd voor MAX. Bekijk het gesprek terug.